Life and times of Elsoo, Limburg

| 1 februari 2018

Ik was met twee Amsterdamse collega’s, tevens geografen, onderweg voor een zelf georganiseerd werkbezoekje aan Heerlen en Kerkrade in de Oostelijke Mijnstreek. Ze wilden en passant ook mijn geboortedorp Elsloo zien, in de Westelijke Mijnstreek. Zo reden we rond het middaguur het koude maar onder een stralende zon gelegen Elsloo binnen, richting Julianakanaal. Op de prachtige en hoge dijk van het kanaal hebben we fraai uitzicht over de Belgische Kempen, de meanderende Maas met haar hier bijna afgeronde nieuwe oevers (Grensmaasproject).

Plaatjes schieten, snel door daar de idyllische dorpskern[1] en via de Maasberg naar het befaamde ‘Kasteel’ (restanten van het kasteel dat deels door de veranderende ligging van de Maas, deels door de graafwerkzaamheden aan het Julianakanaal moest verdwijnen[2]).

Mijn collega’s zijn onder de indruk, zeker als ik wijs naar het hellingbos (Bunderbos) dat reikt tot aan het zeven kilometer verder gelegen Bunde, en dat onder onze collega-ecologen beroemd is vanwege de vuursalamander en de gevarieerde, uitzonderlijke vegetatie.

We besluiten in het dorp te lunchen, maar pas nadat ik ze de straat waar ik ben geboren heb laten zien: de Doctor Poelsstraat. Dit is een van de straten gelegen in het uitbreidingsplan uit de jaren ’50, nodig vanwege de toestroom aan mijnwerkers die vanwege de Wederopbouw volop werk vonden in de mijn Maurits vlakbij (Geleen) en de zich rap ontwikkelende chemische industrietakken van de DSM. Nagenoeg alle vaders van de vriendjes uit mijn prille jeugdjaren werkten ‘op de Koel’ (de mijn).

We rijden een schoolklas tegemoet die, net als ik vroeger, op weg is naar de gymzaal. Maar de groep kinderen is vergeleken met eind jaren ’60 uitgedund. Flink uitgedund! In mijn prille jeugdjaren was het dorp bomvol kinderen, die voortdurend op straat speelden. Toen ik de Eerste Heilige Communie deed was er de traditionele processie na de mis die bestond uit meer dan 120 kinderen. De processieversieringen waren overweldigend. Fanfare De Maasgalm blies haar begeleidende klanken op het niveau van de superieure (competitie)klasse. Nu is de processie ingetogener, het aantal kinderen niet groter dan enkele tientallen, en de noten uit de instrumenten van de fanfare verraden een lager competitieniveau.

Ik behoor nog tot de generatie die pas op hun tiende naar de voetbalclub mochten, maar voordat ik daar aankwam had ik, net als vele anderen, de technische bagage al binnen. Op straat werd gevoetbald: in het speelkwartier, tussen de middag, en na de school, totdat het donker werd.

Er zijn nu veel minder kinderen die bovendien minder op straat spelen. Meer dan driekwart van de scholen is alweer afgebroken of heeft een andere functie gekregen. In twee gevallen zijn op de plekken van die scholen verzorgingstehuizen verrezen. Het jonge dorp is een oud dorp geworden. Termen als ‘scootmobielvillage’ zijn ook op Elsloo van toepassing.

Waar gaan we lunchen? Op het dorpsplein (ontstaan na de oorlog) is wel een uitspanning, maar die wordt vooral bezocht door bejaarden en heeft niet de lunchkaart waar mijn collega’s in geïnteresseerd zijn.  Gelukkig is er sinds kort Caffé Con Con, een fris en uitnodigend restaurant met gevarieerde kaart. Ik vertel mijn collega’s dat dit mooie pand vroeger de winkel was van kleermaker Alberigs, waar bijna het hele dorp (voor de komst van de Miro[3]) kleren, garen, knopen en naalden kocht. In het dorp kon je alles kopen. Er woonden in ‘mijn’ tijd, net als nu, iets meer dan 8000 inwoners. Je hoefde echt het dorp niet uit voor de alledaagse boodschappen. Soms ging mijn moeder naar de markt in (vanwege de Maurits) booming Geleen, waar ook een V&D en Schunck was. Soms gingen mijn ouders met ons winkelen in Maastricht, maar dat was veel meer funshoppen avant la lettre.

Elsloo kende, toen ik op de lagere school zat, vier kruideniers, een poelier, en visboer, een elektriciteitswinkel, twee schoenenwinkels, vier slagers, drie snoepwinkels, drie bakkers, vijf frituurs, vijftien (!) cafés, exclusief de twee slijterijen met volledige vergunning B, en nog wat speciaalzaken.

Daar kan men in het dorp nu alleen nog maar van dromen. Ik vertel mijn collega’s dat de laatste slager enkele maanden geleden zijn winkel heeft gesloten. Ambachtelijke slagerij exit!

De komst van de Miro heeft de overal in Nederland gevoelde kaalslag in het voorzieningenniveau van rurale gemeenten in Elsloo (en de omliggende dorpen) vervroegd en versterkt. Ik stond met het boodschappenlijstje van mijn moeder bij onze kruidenier toen deze zijn angst voor het winkelcentrum deelde met zijn klanten: “Het wordt onze ondergang”. Ik kende de man goed, hij was tevens melkboer die aan huis leverde, en werd gegrepen door zijn prognose. Het zal toch niet waar zijn, vroeg ik aan mijn vader. Die prikte mijn hoop door: “de meeste mensen hebben een auto, laden die vol met goedkopere waar en zien niet om naar de kruidenier om de hoek. Dat is de toekomst, jongen.”

Maar de toekomst zou voor Elsloo nog heel ver weg blijken. De meeste winkeliers sloten hun panden, de sluiting van de Staatsmijn Maurits in 1968 werd voelbaar in de koopkracht van de bevolking van mijn geboortedorp. Een werkloosheidscijfer van nul begin jaren ’60 bleek voorgoed verleden tijd. De DAF-autofabriek in Born zou de motor moeten worden van de economie van de Westelijke Mijnstreek, maar voordat die motor goed en wel op stoom kwam was hij al kapot. Voor de wat slimmere jongeren waren de stijgende werkloosheid, de krapte aan banen en het gebrek aan een universiteit[4] de push-factoren om deze Mijnstreek vanaf midden jaren ‘70 te verlaten. De Wet op de Studiefinanciering was de pull-factor om te gaan studeren in Nijmegen, Eindhoven en in mindere mate Utrecht en Amsterdam. Deze braindrain gaat tot op de dag van vandaag door. Ik verliet Elsloo in 1978, om er steeds minder vaak naar terug te keren. Zo nu en dan kom ik jongeren geboren in Elsloo tegen die werken, wonen of studeren in Amsterdam.

Caffé Con Con heeft de plek ingenomen van een kledingzaak. Van de vijftien cafés zijn er nog maar drie over. De befaamde slijterijen zijn al lang opgedoekt. De resterende drie zijn op een doordeweekse dag zo goed als leeg. De overige twaalf zijn getransformeerd naar woning, voor de kenner nog herkenbaar aan de gevel.

Ooit was de Stationsstraat een bruisende winkelstraat met vijf cafés. Daar is zo goed als niets meer van over. De ondergang van het caféleven werd ingeluid door de sluiting van de Maurits en de daarmee gepaard gaande krimpende koopkracht. Ze werd versterkt door het toenemend autogebruik dat vernieuwde en spannende disco’s elders en het stedelijk vertier in Maastricht binnen bereik bracht. De ondergang was onomkeerbaar vanwege het tanende verenigingsleven en de exodus van jonge creatievelingen die in de dorpscafés niet de Third Place vinden die ze nodig hebben.

Voor een economie die meer en meer gestoeld is op veel en gevarieerde contacten, is het dorp simpelweg te klein. Zelfs in Caffé Con Con heb ik nog geen laptop of iPad gezien. Ook in de grote steden sluiten (traditionele) cafés en detailhandelaren hun winkels. Maar daar worden ze direct opgevolgd of vervangen door nieuwe ondernemers met nieuwe concepten. De bakker is dood, leve de bakker. Degenen die zo te hoop lopen tegen gentrification in de grote steden, zouden eens door dorpen als Elsloo of Eygelshoven in de Oostelijke Mijnstreek moeten wandelen. Dat zou tot wat genuanceerdere kritieken kunnen leiden. In dorpen als Elsloo is het sluiten van een café of winkel simpelweg einde verhaal.

Het grootste arbeidsaanbod is werk in de zorg of andere maatschappelijke dienstverlening. Van het gezin van mijn zus, die in het dorp is gebleven, werken drie op de vijf als zorgverlener.

Het passantenbezoekje aan Elsloo was een mild voorproefje van wat mijn collega’s en ik in de Oostelijke Mijnstreek zouden zien. Want zo slecht gaat het met Elsloo nog niet. Het dorp ligt op de grens van de Westelijke Mijnstreek en het prachtige, toeristisch aantrekkelijke Mergelland. De Mergellandroute loopt door het dorp en komt langs Caffé Con Con, wat een deel van het succes van dit etablissement verklaart. DSM is meer en meer een broedplaats van tech start ups. Het 15 km zuidelijker gelegen Maastricht is inmiddels een volwaardige en bovendien internationale universiteitsstad. Het dorp krimpt niet. Luik en boom town Aken liggen om de hoek. Elsloo is verbonden met het Nederlandse spoornetwerk.

De situatie 25 kilometer oostwaarts, in de Oostelijke Mijnstreek, is schrijnender. En hoe zit het in Sluis, in Delfzijl? Scholen zijn vervangen door zorginstellingen. Zullen de zorginstellingen weer vervangen worden door scholen? In een kenniseconomie is dat voor gemeenten als Elsloo niet denkbaar. De toekomst is aan de stad. Het hoogst haalbare voor dit Maasdorp is een fletse kopie te worden van Eijsden, het Haren van Maastricht.

Jos Gadet

Jos Gadet is hoofdplanoloog gemeente Amsterdam

 

[1] Elsloo is een van de oudste nederzettingen van Nederland, dat rond 5000 voor Christus al bevolkt werd door de Bandkeramiekers-cultuur.

[2] Het Julianakanaal werd begin jaren ’30 van de vorige eeuw aangelegd tussen Maastricht en Maasbracht.

[3] De Miro is een groot winkelcentrum, aangelegd begin jaren ‘70 (huidige naam Makado) op bijna loopafstand van Elsloo in de aanpalende gemeente Beek)

[4]  Maastricht kende sinds 1974 weliswaar een Medische Faculteit, maar de Universiteit Maastricht zou pas in de loop van de jaren ’80 ook andere studies aanbieden.