Geen gebrek aan papieren aandacht voor het woningtekort

| 22 mei 2018

Het regent papieren aandacht voor het tekort aan woningen. Bernard Wientjes trekt het land door met de Bouwagenda. Alle provincies werken, als voorbereiding op de Omgevingswet aan een provinciale omgevingsvisie. Met een beetje geluk krijgt het woningtekort daarin de nodige aandacht. De NOVI, Nationale Omgevingsvisie, is in de maak. Eerdere signalen leken erop te duiden dat de aandacht voor het woningtekort zou ontbreken. Intussen lijkt dat beeld optimistischer: wonen is niet van de nationale agenda. De NEPROM en tien grote ontwikkelaars hebben net een plan aangeboden om in 10 jaar het woningtekort weg te werken. Dezer dagen is de nieuwe Nationale Woonagenda 2018 – 2021 van het Rijk met brancheorganisaties, Woonbond, gemeenten en provincies te verwachten. Maar gaat er nu ook wat gebeuren?

De rijksoverheid lijkt op stoom te komen

Als de voortekenen niet bedriegen, wil de rijksoverheid zich inzetten voor een programma van het bouwen van 75.000 woningen per jaar. Dat is mooi. Ook de minister zegt voorzichtig dat er behalve in de steden ook naar de rand van de steden mag worden gekeken naar woningbouwlocaties. En ook het ministerie lijkt weer, net als toen er sprake was van “rijks verstedelijkingsbeleid” te vinden dat in de regio’s waar de nood het hoogst is, de plancapaciteit weer naar 130 procent moet worden gebracht. Om uitval en vertragingen op te vangen. Dat zijn allemaal positieve geluiden.

Veel gemeenten doen hun stinkende best om de woningbouwproductie op te voeren. Amsterdam brak records. Intussen zijn de voorspellingen op basis van verleende omgevingsvergunningen overigens in veel gemeenten al weer minder gunstig. Dat kan te maken hebben met te weinig capaciteit op de bouwplaats en/of te weinig ambtelijke capaciteit bij gemeenten. Hoe dan ook helpt het niet als gemeenten hun eisenpakketten weer optuigen alsof er nooit een crisis is geweest. Wienke Bodewes (Amvest directeur) noemt de Amsterdamse eis van 40-40-20 killing voor de bouw in die stad. Zo moet het dus niet.

Gemeenten trekker er hard aan

Maar in het algemeen werken gemeenten heel hard om op tijd woningen op de markt te krijgen. In de drie noordelijke regio’s van Noord-Holland overwegen de gemeenten om zelf met een plan te komen voor extra woningbouw voor mensen die in het zuiden van de provincie niet aan de bak komen. Nu al blijkt in de koopsector bij de bestaande woningen in steden als Alkmaar dat Amsterdammers de regionale woningzoekenden overbieden en daarmee is er opnieuw sprake van verdringing. Uit onderzoek van Kuijs Reinder Kakes over de woningmarkt in Noord-Holland in het eerste kwartaal van 2018 blijkt dat 60 procent van de Amsterdamse woningzoekenden een woning buiten Amsterdam zoekt. Maar ook in de huursector gaat het er niet zachtzinnig aan toe. Een Alkmaarse corporatiedirecteur vertelde: voor 42 eengezinswoningen onder de eerste huurtoeslaggrens waren 631 gegadigden. En voor een projectje van 24 woningen in dezelfde huurklasse in Heerhugowaard waren meer dan 400 kandidaten. Zijn reactie: omdat Amsterdammers veel meer willen betalen voor de koopwoningen, komen de lokale woningzoekenden veel minder aan bod. Die blijven daardoor aangewezen op de huursector.

Provinciale bestuurders staan verder af van de gewone burger

Gemeenten die stinkend hun best doen om voldoende woningen te realiseren, ondervinden vaak de provincies op hun weg. Provincies zijn in ons huidige stelsel verantwoordelijk voor het afwegen van ruimtelijke belangen en hebben daarmee een belangrijke rol in het bepalen van de locaties waar woningbouw moet komen. Op de een of andere manier lijken met name de Randstad-provincies die rol zo te moeten invullen dat remmen van de woningbouw de voorkeur krijgt boven gas geven. Gemeenten krijgen door provinciale beleidsmakers doemscenario over zich uitgestrooid als dat ze zouden bouwen voor de toekomstige leegstand. Die invalshoek en de blijkbaar oneindige affiniteit met “de open ruimte” leiden ertoe dat gemeenten alleen tot woningbouw kunnen komen als ze scholen, kantoren en bedrijfsterreinen omkatten. Die houding is bij veel gemeenten evenwichtiger. Ook daar is er natuurlijk respect voor open ruimte en open landschap. Maar een gemeentebestuurder ervaart van dichtbij ook de ellende van mensen die niet op de gewenste manier kunnen wonen. Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen was wonen en woningbouw vaak een belangrijk thema. Blijkbaar staan de provinciale bestuurderstorens toch verder van de gewone mensen. Kiezersdruk dringt daar minder door.

De opkomst van verkiezingen voor leden van Provinciale Staten is lager dan bij gemeenteraad- of Tweede Kamerverkiezingen. Toch speelt de provincie een cruciale rol in de woningbouwplanning. De rijksoverheid wil meer bouw, de gemeente willen meer woningen, maar de bestuurslaag met de minste kiezerslegitimatie zet de hakken in het zand. Een weeffout? Misschien. Maar hoe zou het anders moeten? En, als we dat al goed zouden weten, een stelselherziening duurt zo lang dat de woningzoekenden daar voorlopig ook niks mee opschieten.

Een kleine maar niet onbelangrijke maatregel kunnen we op korte termijn wél nemen: geen duurzaamheidsladder meer toestaan in de drukke provincies.

Jos Feijtel