Zo reguleer je de deeleconomie II
Airbnb vraagt om duidelijke regels

| 19 juli 2016

In hun artikel in de vorige editie van ROmagazine bespraken Anita Nijboer en Jolize Lautenbach de wijze waarop je kunt omgaan met nieuwe vormen van deeleconomie zonder initiatieven te veel te begrenzen. Zij gaven een kort stappenplan waarmee kan worden bepaald welke nadere regels nodig zijn om een initiatief beheersbaar te houden, de excessen tegen te gaan en het initiatief voor het overige te stimuleren. In deze tweede bijdrage werken zij zo’n stappenplan uit voor de ruimtelijke effecten en concurrentieaspecten van het commerciële platform Airbnb.

‘Airbnb explodeert’, ‘Airbnb, zegen en vloek’, ‘Europese Commissie tegen verbod voor Uber en Airbnb’, ‘Airbnb is zegen voor Amsterdams toerisme’, ‘Airbnb drijft Amsterdamse huizenprijzen flink op’. Zomaar een greep uit de vele krantenartikelen over Airbnb van de afgelopen tijd. De deeleconomie breidt zich razendsnel uit en heeft grote gevolgen voor de leefomgeving.

bPRAKTIJK Airbnb-Toerismeprotest

Ongewenste ruimtelijke effecten

Deeleconomiedienst Airbnb heeft mogelijk negatieve ruimtelijke effecten: overlast voor omwonenden, bijvoorbeeld door geluidsoverlast, rommel in de buurt en een toenemend gevoel van onveiligheid. Daarnaast worden delen van de stad die oorspronkelijk voor bewoning bestemd zijn, uitsluitend nog door toeristen gebruikt. Dit kan zelfs ten koste gaan van het aantal huurwoningen.

Bestaande regelgeving is schaars. De Huisvestingswet biedt een gemeenteraad de mogelijkheid een huisvestingsverordening vast te stellen, waarbij het onttrekken van een woning aan de woningvoorraad vergunningsplichtig wordt. Verder kan een gemeenteraad op grond van de Wet ruimtelijke ordening een bestemmingsplan vaststellen waarin toegelaten bestemmingen worden vastgelegd en waarin bijvoorbeeld kan worden bepaald dat short stay niet is toegestaan onder de bestemming wonen.

Welke regelgeving ontbreekt?

Er is geen algemene regelgeving die een stimulerend effect heeft op het gebruik van Airbnb. De bestaande regelgeving heeft slechts het oogmerk om excessen tegen te gaan. Ook is onduidelijk bij welk gebruik en hoe vaak juridisch sprake zal zijn van onttrekking van een woning of een vorm van short stay/toeristisch verhuur die niet meer onder de bestemming wonen valt.

De bestaande algemene regels gaan de mogelijke negatieve effecten van Airbnb niet tegen. Op deze onderdelen is het nodig de regelgeving te verduidelijken dan wel aan te passen. In sommige steden en landen is dit al gedaan. Zo heeft de gemeente Amsterdam specifieke regels gesteld aan het gebruik van Airbnb. Daar mag een woning, niet zijnde een sociale huurwoning, maximaal voor zestig dagen per jaar verhuurd worden en mag slechts aan vier toeristen tegelijkertijd worden verhuurd . Op deze wijze wordt Airbnb in beginsel toegestaan en in zekere zin zelfs gestimuleerd doordat de gemeente expliciet duidelijkheid biedt. De woonbestemming blijft echter bestaan. Door de verhuur te beperken tot een kleinere groep kan overlast voor de buurt worden voorkomen.

Berlijn hanteert ontmoedigende regelgeving; er mogen geen appartementen en huizen meer worden verhuurd, uitsluitend nog kamers. In Vlaanderen geldt een registratieplicht zodat beter te controleren is of verhuurders voldoen aan alle normen (zoals brandveiligheid).

Welke regelgeving is nog nodig?

Wat ons betreft zijn de Amsterdamse regels een stap in de goede richting van het adequaat reguleren van Airbnb. Het zijn afgewogen regels die recht doen aan de innovatieve kracht van Airbnb en die excessen aanpakken. Als aanvullende regelgeving, boven op het Amsterdamse model, zouden wij adviseren om net als onze zuiderburen een registratieplicht in te voeren om de handhaafbaarheid te verbeteren. Te denken valt aan een registratieplicht voor iedereen die zijn kamer of woning via Airbnb aan toeristen wil verhuren én een registratieplicht voor iedere keer dat de woning wordt verhuurd. Bij in gebreke blijven hiervan ligt de bewijslast dat niet meer dan 60 dagen wordt verhuurd bij de verhuurder.

Daarnaast is een extra stimuleringsregeling denkbaar vanuit het Rijk of gemeenten, waarbij subsidie wordt toegekend voor een tegemoetkoming in bijvoorbeeld de kosten van het brandveilig maken van een woning.

Welke regelgeving ontbreekt?

Van de huidige regels is niet altijd duidelijk voor wie ze gelden. Moet de platformhouder (Airbnb) ervoor zorgen dat de brandveiligheid van de woningen op orde is? Of de (professionele) aanbieders van de kamers en woningen? Zijn de Airbnb-verhuurders, die bijvoorbeeld in het geval van Amsterdam hun woning voor 60 dagen per jaar verhuren, vrijgesteld van álle regels? Wat is de positie van de consumenten? En wie kunnen de concurrenten dus aanspreken, eventueel door de overheid te vragen het level playing field te bewaken via handhaving?

bPRAKTIJK Deeleconomie airbnb-collarcitybrownstone.com_

De negatieve effecten van Airbnb voor concurrentie zitten op dit moment vooral in de onduidelijkheid. En onduidelijkheid is slecht voor de investeringsbereidheid van bedrijven en daarmee voor het vestigingsklimaat van Nederland.

Hier wreekt zich direct het eerdergenoemde gebrek aan duidelijkheid óf de huidige regelgeving überhaupt rechtstreeks van toepassing is op een initiatief van de deeleconomie, zoals Airbnb. Zijn de strengere regels over de verstrekking van sterke drank, het aanbieden van slaapplaatsen, de ruimtelijke uitstraling en belastingen van toepassing op Airbnb-diensten? En zo ja, wie moet zich daar dan aan houden? Airbnb als facilitator? Of de aanbieders? En dan alleen de professionele, of ook de particuliere aanbieders?

De huidige jurisprudentie rond het begrip ‘overtreder’ is onvoldoende duidelijk op dit punt. In het geval van Uber heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven goedgevonden dat ook het platform Uber juridisch is aangepakt , maar die uitspraak is niet zomaar te extrapoleren naar een ander initiatief binnen de deeleconomie, zoals Airbnb.

Welke regelgeving is nog nodig?

Er ontbreekt dus nog het een en ander. In de eerste plaats zou de regelgeving duidelijker moeten aanwijzen welke partij zich aan welke regelgeving moet houden. De regelgeving zou eventueel onderscheid kunnen maken tussen de verschillende partijen: platformaanbieder, professionele en niet-professionele gebruikers en eventueel consumenten.

Maar zelfs als duidelijk is welke partij zich aan welke normen moet houden, is er nog een gebrek in de huidige regelgeving, omdat het relativiteitsvereiste (inclusief correctie Langemeijer) hoogstwaarschijnlijk de concurrent geen bescherming biedt bij de handhaving (door de overheid, of rechtstreeks jegens die ongereguleerde ‘concurrent’) van het level playing field.

Dat betekent dat die concurrent met lege handen staat. De concurrentie is dan afhankelijk van de handhavingsprioriteiten van de overheid. Er mist feitelijk een afdoende mechanisme om een gelijk speelveld te bewaken, en te voorkomen dat investeringen die zijn gedaan door traditionele partijen teniet worden gedaan en bedrijfsmodellen onder druk komen te staan – met het faillissement van die traditionele aanbieders als uiterste gevolg.

Zonder te willen impliceren dat dit een reden zou moeten zijn om een initiatief als Airbnb tegen te werken, is dit weldegelijk een effect waar de overheid zich over moet buigen. Het is met andere woorden een belang dat de overheid vanuit het oogpunt van economische zaken en werkgelegenheid zou moeten behartigen.

Dit is een verkorte samenvatting. Het volledige artikel staat in ROm 7-8 juli-augustus 2016. Klik hier om een abonnement af te sluiten. Vorig jaar verscheen al in dit magazine ‘De opmars van de deeleconomie’ (ROm 7-8, juli 2015) en vorige maand ‘Zo reguleer je de deeleconomie I’ (ROm 6, juni 2016).

Jolize Lautenbach en Anita Nijboer
Ekelmans en Meijer Advocaten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *