Architectuurhistorie en stadsontwikkeling

| 9 oktober 2019

Vorige week, ik mocht opponeren bij een promotie aan de EUR, kon ik mezelf weer eens introduceren als ruimtelijke ordenaar. Die term wordt minder en minder gebezigd. In Amsterdam al helemaal niet meer. En ik mocht me dankzij het proefschrift (Public Space. Always under construction, van Linda Zuijderwijk) opnieuw verlustigen aan de werken van grote stadssociologen als Hans-Paul Bahrdt en Lyn Lofland. Een interessant proefschrift overigens, waarin de voor de ruimtelijke ordenaar belangwekkende relatie tussen gebruik van de openbare ruimte, stedenbouwkundige structuur en urban design aan bod komt.

De aanleiding voor mijn vraag aan de toen nog promovenda was een uitspraak van Lofland dat modernistische ontwerpen een belediging zijn voor de openbare ruimte, openbaarheid en de publieke sfeer. In de trein terug bleef het citaat door mijn hoofd spoken en kreeg daar gezelschap van een andere criticaster van het erfgoed van Le Corbusier, die de betekenis van deze Zwitser voor de architectuur en stedenbouw vergeleek met de betekenis van Pol Pot voor sociale hervormingen. Weinig vleiend dus. 

’Een gebouw of stedenbouwkundig ontwerp is geen Nachtwacht’

Toch is de kritiek van architectuurhistorici op het modernisme doorgaans een hagiografische. En dat wordt lastig als diezelfde architectuurhistorici zitting hebben in advies- of welstandscommissies die verdichtingsprojecten in steden moeten beoordelen.

Niet altijd, maar ook niet zelden, worden daarin bevriezende stellingen ingenomen. Het modernistische erfgoed is bijna heilig. Gek, want juist die modernistische wijken zijn de probleemcumulatiegebieden van de huidige steden geworden. Niet alleen in Amsterdam, maar ook in Rotterdam, Utrecht, Maastricht, Berlijn, Tallinn. Waar niet?

Architectuurhistorie is een mooi en boeiend vak. Pas na mijn studie geografie ben ik er mee in aanraking gekomen. Veel te laat. Architectuurhistorici duiden de totstandkoming, contemporaine betekenis en specifieke kenmerken van gebouwen, wijken en de ontwerpers achter de plannen en realisaties. En zij waken voor onkundige, onnodige en onwelkome interventies.

Architectuurhistorici gaan de fout in als de fysieke scheppingen als gestold kunstobject worden gepresenteerd dat tegen alles en iedereen verdedigd moet worden. Een gebouw of stedenbouwkundig ontwerp is geen Nachtwacht. In de Nachtwacht kun je niet wonen of leven. In gebouwen en buurten moet je leven en wonen.

’Respect voor wat was, is op z’n plaats, maar het mag nooit tot bevriezing leiden’

Analoog aan een boekbespreking van Simone van Saarloos, Herdenken herdacht (NRC 4 oktober) moeten architectuurhistorici vooral kijken naar het adaptieve karakter van de ooit goedbedoelde ontwerpen van de modernisten. De architectuurhistorie moet niet op slot, die historie moet opengebroken. Bij voorkeur dient dit continu te gebeuren, om te voorkomen dat we gaan geloven in gestolde ontwerpen. Niet het verleden moet regeren over het heden, maar het heden moet het verleden telkens bevragen. Respect voor wat was, is op z’n plaats, maar het mag nooit tot bevriezing leiden.

Bevriezing staat garant voor stilstand, soms achteruitgang. Steden zijn per definitie de plekken van dynamiek, tolerantie, innovatie en vooruitgang. Lees Bahrt er maar op na! Daar moet de stad dan wel de (juiste) ruimte voor krijgen.

Jos Gadet
J.Gadet@amsterdam.nl