Auteur-archief: ROmagazine

Projectleider Openbare Ruimte

 

De gemeente Beuningen biedt groei, groen en water, met behoud van cultureel historisch erfgoed. De gemeente zorgt voor ruim 25000 inwoners en ligt in het rijk van Nijmegen. Zij strekt zich uit langs de zuidelijke oever van de Waal en bestaat naast Beuningen uit de dorpen Ewijk, Winssen en Weurt. Wij streven actief naar een hoge mate van toegankelijkheid richting inwoners. En intern naar korte, informele lijnen en veel ruimte voor creativiteit en vernieuwing. Kortom, uitdagen en uitgedaagd worden, met ruimte voor (persoonlijke) ontwikkeling. Belangrijke voorwaarden om resultaatgericht en dienstverlenend te werken. Durf jij de uitdaging aan en word jij onze nieuwe

      Projectleider Openbare Ruimte

36 uur per week

Binnen de afdeling Beleid en Ontwikkeling is een functie Projectleider Openbare Ruimte vacant. Wij zijn op zoek naar de persoon die op projectmatige wijze voorbereiding en uitvoering kan geven aan projecten in de openbare ruimte binnen een politiek-bestuurlijke context.

Wat ga je doen als Projectleider Openbare Ruimte?
Je bent samen met je collega projectleider de regisseur van de realisatie van de openbare ruimte. Je bent verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van projecten in de openbare ruimte. De nadruk ligt hierbij op integrale opgaven (civiel- en cultuurtechnische  werken). Hierbij draag je zorg voor alle aspecten van jouw projecten in de voorbereiding- en realisatiefase. De projecten voer je integraal uit met alle betrokken disciplines. Je werkt samen met diverse interne partners en externe partijen. Je bewaakt de voortgang, kwaliteit en de financiën van de werken en zorgt voor een realistische en gedegen  jaarplanning. Naast de realisatie van de openbare ruimte, denk je mee over het beleid binnen het team openbare ruimte. Je bent in staat om het bestuur te adviseren over de projecten en voorstellen aan college en raad te schrijven. Je werkt proactief mee aan ontwikkelingen en draagt bij aan innovatie en vernieuwing.

Als projectleider ben je onderdeel van het team openbare ruimte. De projecten voer je op integrale wijze samen met je collega’s van het team openbare ruimte uit. Hierbij werk je op onderdelen nauw samen met de andere teams binnen de afdeling Beleid en Ontwikkeling (Team sociaal domein, Team ruimtelijke ontwikkeling en Team veiligheid) en de afdeling Buitenruimte en Belastingen.

Wij vragen
Je bezit minimaal HBO werk- en denkniveau op het gebied van civiele techniek. Je hebt minimaal 5 jaar ervaring met het -op integrale wijze- organiseren en uitvoeren van de voorbereiding en uitvoering van uiteenlopende projecten in de openbare ruimte. Daarnaast kun je onderhandelen met aannemers, treed je netwerkend op en stuur je projectteamleden resultaatgericht aan. Je bent een teamspeler die met zijn deskundigheid daadkrachtig kan optreden.

Samenwerken, verantwoordelijkheid nemen en flexibel zijn, zijn kernbegrippen binnen de Beuningse gemeenteorganisatie en zijn ook van groot belang in deze functie.

Salaris
De functie is gewaardeerd op schaal 10 (max. € 4.225,– bruto voor een 36-urige werkweek). Afhankelijk van je opleiding en ervaring word je ingeschaald.

Meer informatie over de functie
Als je meer wilt weten over deze functie kun je contact opnemen met Sonja van Kampen, manager van de afdeling Beleid en Ontwikkeling.

Een assessment maakt deel uit van de sollicitatieprocedure.

Voor deze functie wordt tegelijkertijd intern en extern geworven. Bij geschiktheid gaan interne kandidaten voor op externe kandidaten.

Voor een goede indruk van onze organisatie kijk naar https://youtu.be/FeK2SHgOlPk.

Solliciteren op de functie van Projectleider Openbare Ruimte
Als je belangstelling hebt voor deze functie stuur dan vóór 14 mei 2018 je CV met motivatie via onze sollicitatiepagina aan burgemeester en wethouders van Beuningen t.a.v. de afdeling P&O.

Acquisitie naar aanleiding van deze vacature wordt niet op prijs gesteld.

 

 

Adviseur Planeconomie

Wij zoeken bij het team Projectmanagement een

Adviseur Planeconomie
32 -36 uur per week | Emmen

Het team Projectmanagement geeft sturing aan een gevarieerd projectenportefeuille. Deze portefeuille omvat zowel fysieke ruimtelijke, economische als sociaal maatschappelijke projecten en programma’s. Te denken valt hierbij o.a. aan woningbouwopgaven, bedrijventerreinen, herstructurerings- en revitaliseringsopgaven, multifunctionele centra e.a. Naast de projecten in eigen portefeuille levert het team ook andere diensten binnen de Gemeente middels het adviseren over en begeleiding van projectmatig werken en het begeleiden, faciliteren en organiseren van workshops en project-start-up sessies.

Wat houdt de functie in
Als planeconoom ben je de financiële rechterhand van de projectmanager en adviseer jij hem over financieel economische aspecten/strategieën bij voorgestelde ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij ben jij verantwoordelijk voor het opstellen van grondexploitaties, haalbaarheidsstudies en het financieel beheer waarbij de koppeling tussen de inhoud, geld en risico’s belangrijk is.

Je bent betrokken bij overleggen met projectontwikkelaars, woningbouwcorporaties, bewoners en ondernemers en stelt samen met de projectmanagers en juristen (anterieure) overeenkomsten op. Je hebt oog voor tegenstrijdige belangen, je staat sterk in onderhandelingen (intern en extern) en je kunt waar nodig compromissen sluiten.

Je verzorgt zelfstandig de jaarlijkse actualisatie van grondexploitaties en Meerjaren Perspectief Grondexploitaties en verder in algemene zin verantwoordelijk voor de advisering aan College en Raad (paragraaf grondbeleid, uitgangspunten notitie grondexploitaties, jaarrekening grondexploitaties, etc.)Je signaleert nieuwe ontwikkelingen op het gebied van planeconomie en zorgt daarmee voor verdere professionalisering van het vakgebied.

Wat vragen wij:

  • WO/HBO opleiding (bijvoorbeeld planologie, sociale geografie, financieel economie)
  • Minimaal 2 jaar relevante werkervaring
  • Kennis van en ervaring met projectmatig werken, ruimtelijke ontwikkeling en bij voorkeur gemeentelijke procedures
  • Je kunt risico’s en verwachtingen managen en een goede afweging maken tussen tijd, geld, kwaliteit en beoogde opbrengst.

Wat bieden wij
Het aan de functie verbonden salaris bedraagt maximaal € 4.859,- bruto per maand (salarisschaal 11 indicatief) bij een 36-urige werkweek.

Meer informatie?
Voor meer informatie kun je contact opnemen met Ben Martens (teamleider) telefoon 0591 689208 of Jeanette Mol-Smit (adviseur planeconomie) telefoon 0591 685608.

Ben je enthousiast geworden? Dan ontvangen we graag jouw motivatiebrief en curriculum vitae voor 16 mei 2018 via de sollicitatiebutton.

Acquisitie naar aanleiding van deze vacature wordt niet op prijs gesteld.

Regiosessies Omgevingswet: veiligheid en gezondheid integraal afwegen

Het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat organiseert 

Regiosessies Omgevingswet:
veiligheid en gezondheid integraal afwegen

(dit betekent het voor u als ruimtelijke ordening-professional)

Met de invoering van de Omgevingswet ligt het initiatief om omgevingsveiligheid en gezondheid op te nemen in ruimtelijke plannen bij de RO-sector. Kies je dan voor de minimale normen of is het wenselijk om meer aandacht te geven aan een veilige en gezonde omgeving? U moet die vraag beantwoorden. Maar hoe? Hoe betrekt u de omgevingsveiligheidsspecialisten hierbij? Hoe stel je de goede vragen? En wie moet je kennen in uw regio?

Daarover gaat het tijdens de “Regiosessie Omgevingswet: veiligheid en gezondheid integraal afwegen” die het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat dit jaar organiseert op 6 plaatsen door het hele land. Sessies die ook erg interessant zijn voor gezondheidsspecialisten en externe-veiligheidsprofessionals.

Deelnemen

De regiosessies vinden plaats in de 6 BRZO-regio’s in ons land. Kijk hieronder welke sessie in uw regio wordt georganiseerd en meld u aan.

  • 15 mei 2018 – Almere (regio Noord-Holland, Flevoland en Utrecht)
  • 7 juni 2018 – Assen (regio Groningen, Friesland en Drenthe)
  • 27 september 2018 – Deventer (regio Overijssel en Gelderland)
  • 11 oktober 2018 – Rotterdam (regio Zuid-Holland en Zeeland)
  • 25 oktober 2018 – Venlo (regio Limburg)
  • 8 november 2018 – Tilburg (regio Brabant)

Meer informatie en aanmelden

Voor het programma en aanmelden kunt u kijken op de website www.kennislabvoorurbanisme.nl.

De Regiosessies Omgevingswet zijn evenementen van het Ministerie voor Infrastructuur & Waterstaat en worden georganiseerd door het Kennislab voor Urbanisme.

5 misverstanden over binnen- en buitenstedelijk bouwen [1]

Door: Edwin Buitelaar, Senior onderzoeker en programmaleider PBL, bijzonder hoogleraar Universiteit Utrecht

Edwin is aanstaande vrijdagmiddag één van de sprekers op het Seminar ‘Waar bouwen we in de stadsregio‘, naast Jan Latten, Paulus Jansen, Sjors de Vries, Fleur Gräper-van Koolwijk en hopelijk u ook! Er zijn nog aan aantal plaatsen beschikbaar. Aanmelden kan via http://romagazine.nl/debatseminar-waar-bouwen-we-in-de-stadsregio/18876

 

Het beleidsdoel van veel overheden is om nieuwe woningen zoveel mogelijk binnenstedelijk te realiseren. Dat is het ook het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking. En de nieuwe minister van BZK bevestigde onlangs deze ambitie [2].

1 Mensen willen niet in de stad wonen

Er is internationaal een triomf van de stad gaande (Glaeser, 2011). Nederland is daar geen uitzondering op (PBL, 2015, 2016). In de discussie over verstedelijking en binnenstedelijk bouwen wordt het bestaan hiervan af en toe sterk gerelativeerd en soms nog net niet ontkend [4]. Alhoewel relativering zelden kwaad kan, is het toch van belang nog eens te benadrukken dat ‘de stad’ momenteel een sterke aantrekkingskracht geniet. Na decennialange vertrekoverschotten als gevolg van suburbanisatie, groeien steden alweer enkele jaren fors, met name vanwege buitenlandse migratie en binnenlandse vestigingsoverschotten (PBL, 2015, p. 17). Ook de huizenprijzen en de grondprijzen laten zien dat er een grote betalingsbereidheid is voor stedelijk wonen: hoe dichterbij het stedelijke centrum, hoe hoger de vierkante-meterprijzen (De Groot e.a. 2010).

Gezinnen verlaten de stad

In 2017 kwam het CBS naar buiten met de bevinding dat 14 procent van de gezinnen met kinderen binnen vier jaar na de geboorte van het eerste kind de stad verlaat, en dat dit is toegenomen [5]. In Amsterdam ligt het percentage met 40 procent het hoogste van alle steden. Het CBS toont tevens dat die gezinnen vooral verhuizen naar suburbane randgemeenten [6]. Dit wordt door sommigen gezien als teken dat gezinnen niet (meer) in de stad willen wonen. Toch is dat maar zeer beperkt het geval. Ten eerste betekent die 14 procent dat 86 procent van de gezinnen wél vier jaar en langer na de geboorte van het eerste kind in de stad blijft wonen. En in Amsterdam ook nog 60 procent – meer dan de helft dus. Ten tweede is het vertrek van die 40 procent in Amsterdam niet het gevolg van niet meer in de stad willen wonen maar van niet kunnen. Woningbehoefteonderzoek laat zien dat de stedelijke woonvoorkeur, onder andere van gezinnen, sterk is en al jaren nagenoeg ongewijzigd (De Groot & Van Dam, 2017).

2 Stedelijk wonen betekent wonen in hoogbouw

Een ander misverstand is de gedachte dat wonen in hogere stedelijke dichtheden wonen in hoogbouw betekent waardoor gezinnen af zouden afhaken. De stedenbouwkundige literatuur laat zien dat dit niet zo hoeft te zijn. Dezelfde (hoge) woningdichtheid kan via totaal verschillende stedenbouwkundige ontwerpen met verschillende woningtypen tot stand worden gebracht (figuur 1). De combinatie van hoge dichtheid en grondgebonden woonvormen ís mogelijk (Meyer, Westrik & Hoekstra, 2008; Van Dam, De Groot & Crommentuijn, 2010). Voor een zuivere discussie moeten de variabelen ‘dichtheid’ en ‘woningtypen’ van elkaar worden onderscheiden. In de praktijk loopt dit nogal eens door elkaar, zoals ook de recente discussie over bouwhoogten in de Sluisbuurt in Amsterdam laat zien.

Figuur 1: Drie verschillende stedenbouwkundige ontwerpen voor 75 woningen per hectare

Bron: Meyer, Westrik & Hoekstra (2008)

Wanneer in bestaand stedelijk gebied te weinig ruimte wordt geboden aan de eerste twee typen ontwerpen, dan zou dáár de discussie vooral over moeten gaan in plaats van de locatiekeuze van woningbouw.

3 Er is niet voldoende plek in de stad

Er zou een onvermijdelijk ruimteprobleem in de stad zijn [8]. Dit is echter maar zeer de vraag, voor een belangrijk deel is dit een (politieke) keuze. Fysiek kan er veel. Een eerdere studie van het PBL (Van Duinen et al., 2016) heeft laten zien dat er veel on(der)benutte terreinen en structureel leegstaande kantoren en winkels zijn waar ruimte kan worden geboden aan woningbouw. Wanneer we rekening houden met bestaande dichtheden, dan kan in heel Nederland, afhankelijk van de omvang van de lange-termijn-groei, tussen 35 en 75 procent van de woningen worden gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied. In een aantal regio’s is zelfs meer plek binnen de stad dan er behoefte is (denk aan Noord-Brabant en de regio Zwolle). Wanneer hogere dichtheden worden toegepast, dan kan er ook in de krappere regio’s uiteraard nog veel meer [9]. Die hogere dichtheden zijn ook reëel aangezien de PBL-berekening van relatief lage woningdichtheden uitging. Een aantal actuele plannen, zoals voor Havenstad in Amsterdam en de Merwedekanaalzone in Utrecht, houdt rekening met dichtheden van (ruim) meer dan 100 woningen per hectare. Ter vergelijking: de gemiddelde dichtheid van Vinex-uitbreidingswijken is 25 woningen per hectare.

Fysieke capaciteit is nog geen planologische capaciteit. Hiervoor is medewerking van provincies en gemeenten nodig. Kortom, hier is sprake van regionaal maatwerk. Kijkend naar de woningmarktregio met de grootste druk op de woningmarkt – de Metropoolregio Amsterdam [10] met een op basis van PRIMOS geschatte uitbreidingsbehoefte van 231.000 woningen tot 2040 – dan valt de royale plancapaciteit op maar liefst ruim 289 duizend woningen, waarvan ruim 241 duizend woningen [11] binnen bestaand stedelijk gebied (BSG) (Provincie Noord-Holland, 2017) [12].

Figuur 2: Plancapaciteit in de Metropoolregio Amsterdam

Bron: Provincie Noord-Holland (2017)

Bovendien toont de praktijk dat planologische capaciteit weliswaar een noodzakelijke voorwaarde is voor woningbouw in de stad, maar geen voldoende voorwaarde. Er is op sommige plekken sprake van wat de Engelsen stalled sites noemen: plekken waar gebouwd mag worden maar waar dat om uiteenlopende redenen (nog) niet gebeurt (McAllister, Street & Wyatt, 2016). Redenen kunnen zijn: het vasthouden van de grond, anticiperend op verdere prijsstijgingen (Adams et al. 2009); financiële problemen bij betrokken partijen; hoge/stijgende bouwkosten, etc. Overhoeks in Amsterdam-Noord is een interessant voorbeeld in dit verband. Een deel daarvan (fase 3) is tot op dag van vandaag nog niet bebouwd, terwijl er in 2008 al planologische goedkeuring was voor de ontwikkeling (in de vorm van een onherroepelijk bestemmingsplan). De crisis ijlt er lang na. ING kwam in de problemen en heeft z’n grond daar overgedragen aan Amvest die vervolgens tot herprogrammering is overgegaan. Inmiddels wordt alweer enige tijd gewerkt aan een nieuw plan. Het geeft aan dat planologische capaciteit niet het (enige) probleem hoeft te zijn.

4 Binnenstedelijk bouwen duurt te lang

Binnenstedelijk bouwen zou te lang duren. Alhoewel systematische vergelijkingen van de tijdsduur van verschillende typen projecten niet bestaan, laat een eerdere studie van het PBL wel zien dat het aandeel plan- en proceskosten bij binnenstedelijke projecten hoger is dan die van uitleglocaties (Buitelaar & Witte, 2011). De intensiteit waarmee processen begeleid moeten worden lijkt binnenstedelijk inderdaad erg hoog te liggen, met name vanwege de vele belangen die moeten worden meegewogen. Er is geen sprake van seriematige en routinematige productie.

Figuur 3: De bouwmachine

Bron: Peek (2015)

Alhoewel het zonder veel twijfel zo is dat binnenstedelijke locaties complexer zijn en meer manuren vergen, moeten we in dit verband geen wonderen verwachten van het alternatief: de ontwikkeling van uitleglocaties. De Vinex-uitbreidingswijken zijn rond 1995 tot ontwikkeling gekomen, zouden maar liefst 20 jaar later gereed moeten zijn, maar zijn dat in veel gevallen nog niet (volledig) (Van der Wouden, 2015). Kortom, ook daar een pijplijn van meer dan 20 jaar, waarbij de tijd van de hieraan voorafgaande ideeën- en planvorming niet is meegenomen.

5 Binnenstedelijk bouwen is te duur

Binnenstedelijk bouwen is zonder meer duur, duurder dan het ontwikkelen van uitleglocaties. Dit heeft vooral met de centralere ligging te maken. Hierdoor zijn de grondexploitatiekosten gemiddeld hoger, met name de grondverwervingskosten en de plan- en proceskosten (Buitelaar & Witte, 2011). Daartegenover staan evenwel de hogere grondopbrengsten op binnenstedelijke locaties. Als we dit tegen elkaar wegstrepen dan liggen de winstmarges op binnenstedelijke locaties over het algemeen lager dan bij uitleglocaties.

Echter, exploitatiesaldi zijn niet per se negatief. De literatuur laat zien dat positieve business cases zonder meer mogelijk zijn (Stauttener & Robbe, 2017). En ook de empirie laat zien dat binnenstedelijk bouwen financieel haalbaar lijkt te zijn. Het percentage binnenstedelijke nieuwbouwwoningen is recent gestegen tot rond 70 procent (2012-2017) – over de periode 2000 tot nu is dat gemiddeld 50 procent (Claassens & Koomen, 2017). Dit is opvallend aangezien juist in de afgelopen jaren decentrale overheden niet meer konden beschikken over de vele miljarden die in het verleden door de Rijksoverheid ter beschikking werden gesteld, met name via het Besluit Locatiegebonden Subsidies (BLS), het Investeringsfonds Stedelijke Vernieuwing (ISV) en het Nota-Ruimtebudget (zie onderstaande tabel).

Tabel 1: Rijkssubsidies in het kader van stedelijke ontwikkeling

Overigens is het nog van belang op te merken dat binnenstedelijke ontwikkelingen in veel gevallen aan kunnen sluiten bij bestaande voorzieningen en infrastructuur, terwijl die bij uitleglocaties grotendeels nog aangelegd moeten worden. Voorbeelden zijn de nieuwe treinstations in Vinex-wijken (zoals Terwijde, Leidsche Rijn, Ypenburg, Houten Castellum) en nieuwe light-railverbindingen (zoals Leidschenveen, IJburg, Oosterheem, Nesselande). Dit zijn kosten die niet terug te zien zijn in de grondexploitatie maar uiteraard wel gemaakt worden om de ontwikkeling tot stand te brengen.

Financiële en economische effecten

Tot slot is het van belang onderscheid maken tussen ‘duur’ in financiële zin en in economische/maatschappelijke zin. Financieel heeft betrekking op de directe kosten opbrengsten voor diegene die exploiteert. Een economische (maatschappelijke) analyse kijkt verder door ook de positieve en negatieve (onbeprijsde) externe effecten mee te nemen, zoals mobiliteitseffecten, de effecten op natuur en landschap, op energieverbruik, etc. Dan zou binnenstedelijk bouwen weleens beter uit de bus kunnen komen. Hier zou meer onderzoek naar gedaan moeten worden. Een eerdere MKBA laat zien dat binnenstedelijke ontwikkelingen een groter maatschappelijke rendement hebben dan de ontwikkeling van uitleglocaties (Ecorys, 2005).

Uiteindelijk zou hier de discussie vooral over moeten gaan: hoe ontwikkelen we wijken en steden met het hoogste maatschappelijke rendement? Hierbij moet de woningbouwopgave in relatie worden gezien met een aantal grote transities, waarvan de energietransitie en klimaatadaptatie zonder twijfel de grootste zijn.

[1] Dit is vrij naar Flyvbjergs artikel over ‘Five misunderstandings about case study research’ (Flyvbjerg, 2006).

[2] http://www.stadszaken.nl/ruimte/wonen/1430/meer-prioriteit-voor-woningbouw

[3] Hierbij is dankbaar gebruik gemaakt van de opmerkingen op eerdere versies gemaakt door Peter Pelzer, Ries van der Wouden, Jan-Jaap Visser, Nils Klopper, Thijs Koolmees, Lianne van Duinen, Marc Hanou, Marlies Hanifer, Martijn Eskinasi, Dorien Manting en Frank van Dam.

[4] Bijvoorbeeld: https://www.volkskrant.nl/opinie/ziekelijke-innovatiedrang-remt-de-woningbouw~a4555823/

[5] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/45/veel-jonge-gezinnen-verlaten-de-grote-stad

[6] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/23/meer-jonge-gezinnen-verlaten-de-stad

[7] Onder andere: https://www.architectuur.nl/nieuws/lezingen/sjoerd-soeters-over-alternatief-plan-sluisbuurt/ en https://www.groene.nl/artikel/zijn-we-vergeten-wie-we-zijn

[8] Zie bijvoorbeeld: https://www.gebiedsontwikkeling.nu/artikelen/peter-boelhouwer-nieuwbouw-buiten-stad-onvermijdelijk/ en https://www.volkskrant.nl/opinie/ziekelijke-innovatiedrang-remt-de-woningbouw~a4555823/.

[9] Ook werd in die studie geen rekening gehouden met de verdere verdichting van woongebieden, de transformatie van maatschappelijk vastgoed en extensieve gebruikte gebieden zoals volkstuincomplexen.

[10] Noord-Holland-Zuid en Almere/Lelystad.

[11] Het gaat hier om netto capaciteit, dat wil zeggen toevoegingen minus slopen.

[12] Let wel: dit is exclusief Havenstad. Bovendien, van die 289.043 woningen is voor 123.793 ‘harde’ plancapaciteit beschikbaar. Hard wil zeggen dat er ten minste een vastgesteld bestemmingsplan ligt.

 

Literatuur

Adams, D., C. Leishman & C. Moore (2009), ‘Why not build faster?: Explaining the speed at which British house-builders develop new homes for owner-occupation’, in Town Planning Review, 80(3), 291-314.

Buitelaar, E. (2016), ‘Stop de subsidiereflex bij stedelijke ontwikkeling’, 21 november 2016

Buitelaar, E. & P. Witte (2011), Financiering van gebiedsontwikkeling: een empirische analyse van grondexploitaties. Den Haag: PBL.

Claassens, J. & E. Koomen (2017), ‘Steden blijven verdichten’, ROm 35(9), pp. 18-25.

Dam, F. van, C. de Groot & L. Crommetuijn (2010), ‘Verdichting heeft een grens’, in Tijdschrift voor de Volkshuisvesting, nr. 1, pp. 50-55.

Duinen, L. van, B. Rijken & E. Buitelaar (2016), Transformatiepotentie: woningbouw-mogelijkheden in de bestaande stad. Den Haag: PBL.

Ecorys (2005), Maatschappelijke kosten en baten IBO verstedelijking. Rotterdam: Ecorys.

Flyvbjerg, B. (2006), ‘Five misunderstandings about case study research’, in Qualitative Inquiry, 12, pp. 219-245.

Glaeser, E. L. (2011), The triumph of the city: How our greatest invention makes us richer, smarter, greener, healthier and happier. New York, NY: Penguin.

Groot, C. de & F. van Dam (2017), ‘De triomf van de stedelijke woonvoorkeur’, in Ruimte & Wonen, 11 juli 2017.

Groot, H., G. Marlet, C. Teulings & W. Vermeulen (2010), Stad en land. Den Haag: CPB.

McAllister, P., Street, E., & Wyatt, P. (2016), ‘An empirical investigation of stalled residential sites in England’, in Planning Practice & Research, 31(2), pp. 132-153.

Meyer, H., J. Westrik & M. Hoekstra (2008), Stedebouwkundige regels voor het bouwen. Nijmegen: SUN.

PBL (2015), De stad: magneet, roltrap en spons. Bevolkingsontwikkelingen in stad en stadsgewest. Den Haag: PBL.

PBL (2016), De Verdeelde Triomf. Verkenning van stedelijk-economische ongelijkheid en opties voor beleid. Den Haag: PBL.

Peek, G.-J. (2015), De Veranderstad. Stedelijke gebiedsontwikkeling in transitie. Rotterdam: Hogeschool Rotterdam.

Provincie Noord-Holland (2017), Monitor woningbouw 2017. Productie, plancapaciteit en woningbehoefte. Haarlem: Provincie Noord-Holland.

Stauttener, T. & C. Robbe (2017), ‘Gezond verdichten?! Planeconomische principes voor een positieve business case’, in Grondzaken in de praktijk, 12(4), pp. 6-9.

Wouden, R. van der (2015), De ruimtelijke metamorfose van Nederland 1988-2015. Rotterdam: nai010.

 

 

Dit artikel verscheen eerder op www.stadszaken.nl

Omgevingsvisie Staphorst gaat óók over het sociale domein
Sociaal en fysiek zijn ondeelbaar

De omgevingsvisie ‘Staphorst, voor elkaar!’ is niet alleen richtinggevend voor het fysieke maar ook voor het economische én sociale domein. Daarmee gaat de visie verder dan de Omgevingswet vereist. Nog geen enkele gemeente gaat zo ver met de integratie van deze domeinen. Daarom is de Staphorstse omgevingsvisie opgenomen in de Tweede Tranche Pilots Omgevingsvisie, onder leiding van Ruimtevolk in samenspraak met het Ministerie van BZK.

Dit is een ingekorte versie van het artikel in ROm 4, april 2018

We kennen Staphorst van het prachtige landschap, de lange lintbebouwing (De Streek) met zijn karakteristieke boerderijen, klederdracht en de bevindelijke signatuur. Staphorst is daarnaast een vernieuwende gemeente met karakter en lef. Dit blijkt uit de vele bedrijven die tot het neusje van de zalm behoren in hun bedrijfstak en uit de ambitie van de gemeente om voorop te lopen met een frisse aanpak. Het EPOS-traject (Efficiënte Procesinrichting Omgevingsrecht Staphorst) en de omgevingsvisie Staphorst voor elkaar! getuigen hiervan.

De boom

De strategen van het fysiek en het sociaal domein, Edwin Saathof en Daniëlle Spronk, zitten in Staphorst letterlijk tegenover elkaar. Hij wilde graag aan de slag met de omgevingsvisie om naast de structuurvisie voor de kernen een integrale visie te hebben. Zij was bij aanvang van de omgevingsvisie bezig met de scenarioplanning van het sociaal domein. Juist vanwege de voor Staphorst typerende hechte gemeenschap ontstond het besef dat sociaal en fysiek eigenlijk ondeelbaar zijn. De boom verbeeldt dat: alles wat zichtbaar is in de fysieke leefomgeving is geworteld in sociaal-maatschappelijke onderstromen. Een voorbeeld is de ‘kangoeroewoning’ die voortkomt uit de behoefte aan mantelzorg. Bovendien is een burger die een initiatief indient, ook niet bezig met de vraag in welk domein dit wordt behandeld.

Bij het maken van de omgevingsvisie is heel bewust gezocht naar de thema’s die de twee domeinen overstijgen en verbinden. Een overkoepelend motto moest alles met elkaar verknopen. Dat is geworden: ‘Staphorst, voor elkaar!’. Kernachtig verwoordt dit het (gewenste) DNA van de gemeente: in de betekenis van ‘er voor elkaar zijn’ en in de zin van ‘in Staphorst komt het voor elkaar!’. De verbindende thema’s zijn innovatieve plattelandseconomie, gezonde en dynamische samenleving, en verantwoord vernieuwen. Deze zijn verbeeld als ‘de drie bollen’. Ze hebben zo’n verbindend karakter omdat deze thema’s zowel in het fysieke als sociale domein spelen. De vraagstukken die in de omgevingsvisie de revue passeren worden telkens integraal vanuit deze domeinen bekeken.

Coproductie

Natuurlijk is niet alleen het overstijgende karakter van economie, gezondheid en duurzaamheid relevant. De ambities op dit vlak komen vooral voort uit de samenleving. Wat dat betreft is de omgevingsvisie van Staphorst echt een coproductie. In alle dorpen zijn eerst eigen bijeenkomsten gehouden en daarna een integrale sessie. Er is een enquête onder de bevolking gehouden om te achterhalen wat gezien wordt als de kwaliteiten van Staphorst. Verder is uitgebreid gesproken met de ondernemers en de ketenpartners, zoals de GGD, en de in Staphorst zeer actieve maatschappelijke organisaties. De kern IJhorst kende een eigen participatietraject.

De actieve benadering van de samenleving staat niet op zichzelf. Het EPOS-traject is bijvoorbeeld gericht op het versnellen van de behandeling van initiatieven en om een omslag teweeg te brengen in cultuur en verhouding tussen partijen. De gemeente wil in die zin meer eigen verantwoordelijkheid bij de inwoners leggen om vooraf met goed onderbouwde plannen en initiatieven te komen. De gemeentelijke Ruimtecoach zorgt voor een goede begeleiding en intake van het initiatief.

De ondernemers noemden het sociaal kapitaal en de lokale netwerken als kracht van Staphorst. Op het platteland ontstaan eerder langdurige relaties en heerst er vertrouwen onder elkaar. Op werkdagen doet men zaken, maar in het weekend komt men elkaar in de kerk of in het verenigingsleven tegen. Dat schept vertrouwen. Staphorst heeft dus een gunstige sociale bedrijfsomgeving, die zeker een rol speelt in de positieve economische ontwikkeling van de gemeente. Daarnaast heeft Staphorst het voordeel van de ligging in de nabijheid van Zwolle.

Onderwijs

De ondernemers uitten hun zorgen over het relatief lage onderwijsniveau. Het is in Staphorst gebruikelijk relatief jong te gaan werken. Frappant, maar eigenlijk ook wel weer logisch, is dat onderwijs als verbeterpunt in de enquête die is uitgezet onder de bevolking juist heel laag scoorde.

Hier bewees de integrale aanpak goede diensten. Uit de scenarioplanning van het sociaal domein, onder leiding van BeBright, is gekeken naar verschillende ontwikkelscenario’s van Staphorst: wat als de individualisering voortschrijdt, wat moeten we doen om dit in goede banen te leiden of op zijn minst de scherpe kantjes eraf te halen. Conclusie was dat het opleidingsniveau omhoog moet, omdat ook handwerk steeds meer hoofdwerk zal vergen en de innovaties van bijvoorbeeld de Universiteit Twente in Staphorst een praktische toepassing kunnen krijgen. Zo bleek dat in onderwijs alles samenkomt.

In Staphorst is men praktisch ingesteld. Daarom worden de drie domeinoverstijgende thema’s uitgewerkt in drie gelijknamige programma’s. Dit sluit aan op de programmasturing die men in Staphorst wil invoeren. Vanuit de overtuiging dat een permanente dialoog met de samenleving belangrijk is, worden er drie maatschappelijke ‘tafels’ georganiseerd om de programma’s samen met belanghebbenden in te vullen. Verder betekent de praktische vertaling van de mooie ambities dat de gemeente gaat monitoren of het beleid wel effect heeft. Staphorst beschouwt de omgevingsvisie dan ook als een 1.0-versie, die aan de hand van monitoring zal worden bijgesteld. De gemeente is zo in een ‘lerende modus’ gezet.

Gerwin Gabry, Jos van Heest en Edwin Saathof

Gerwin Gabry is programmadirecteur Omgevingswet bij en projectleider omgevingsvisie Staphorst vanuit KuiperCompagnons. Jos van Heest is adviseur bij Bureau BUITEN en schreef zijn masterscriptie tijdens zijn stage bij KuiperCompagnons.  Edwin Saathof is strateeg fysiek domein bij en projectleider omgevingsvisie vanuit de Gemeente Staphorst

 

 

 

Tien ‘open deuren’ die vaak toch dicht blijken te zitten
Wie bedwingt de huizengekte?

Onlangs verscheen een artikel in één van de landelijke dagbladen met de kop: ‘wie bedwingt de huizengekte’.  In het artikel worden schrijnende voorbeelden gegeven van mensen die achter het net vissen bij het vinden van een woning. Zowel in de koop- als in de huursector. Volgens sommige zelfbenoemde deskundigen is ‘meer bouwen’ te kort door de bocht. De simpele redenering dat meer aanbod volgens de economielessen van de middelbare school zou leiden tot matiging van de prijzen, gaat volgens hen in dit geval niet op. Ik houd het erop dat die simpelheid nog steeds rechttoe – rechtaan opgaat, in ieder geval in de koopsector. Alle reden dus om in te zetten op meer aanbod van woningen, dus op versnelling van de woningbouw. Daartoe onderstaand een aantal suggesties.

1. Meer herhalen

We kunnen een forse versnelling aanbrengen als we niet per se voor ieder woningproject het wiel willen uitvinden. In de afgelopen jaren zijn er uitstekende woningprojecten tot stand gekomen, zowel in architectonische als bouw- en energietechnische zin, die best wat vaker herhaald zouden mogen worden. Scheelt veel tijd en veel extra ontwerpkosten en zal daardoor ook gunstig uitwerken op de prijs. Herhalen kan natuurlijk lang niet altijd, maar wel veel vaker dan we nu doen.

2. ‘Willen we het’ in plaats van ‘mag het’

Veel ideeën voor nieuwbouw- en/of transformatieprojecten voor extra woningen worden nog steeds eerst beoordeeld op de vraag: mag dat volgens de geldende regels. Terwijl de eerste vraag moet zijn: willen we dit project? Heeft het meerwaarde voor de stad, het dorp, de buurt? Als dat het geval is, dan gaat het er om de bestuurlijke en ambtelijke energie te richten op de vraag hoe we dat varkentje gaan wassen om ons doel te bereiken.

3. Blijf ontslakken

Zoek de ruimte op in de regels om zaken die gewenst zijn, maar door die regels belemmerd worden, toch voor elkaar te krijgen. Kijk naar andere interpretatiemogelijkheden. Kijk naar creatieve andere oplossingen. Zorg ervoor binnen de gemeente (en binnen de grotere ontwikkelorganisaties) dat niet alle vragen langs x-afdelingen moeten om te worden ‘afgevinkt’. Voorkom dat het ontbreken van één vinkje leidt tot stagnatie. Niet afvinken maar aanvonken, zei de vorige gedeputeerde RO van Noord-Brabant. Hanteer de rode loper voor woningbouwinitiatieven.

4. Ruimte voor initiatiefnemers

Ga niet altijd als gemeente alles zelf doen. Soms is het praktischer en vooral sneller als de initiatiefnemer zijn plannen met de buurt of de omgeving gaat bespreken. Een formele gemeentelijke inspraakavond is zeker niet sneller dan een informeel en praktisch ingestoken overleg van initiatiefnemer met de buurt. Aanpassingen kunnen ter plekke worden besproken. Als dat via formele inspraakreacties en inspraaknota’s moet, duurt het ongetwijfeld langer en meestal is het niet effectiever.

5. Binnen- en buitenstedelijk

Laten we realistisch zijn in de aannames: met alleen binnenstedelijke locaties zullen we niet overal in staat zijn om tijdig voldoende woningen te realiseren. Ook buitenstedelijke locaties zullen in diverse gemeenten nodig zijn. Binnenstedelijk ontwikkelen duurt lang (Houthavens in Amsterdam: 25 jaar voorbereidingstijd!). Buitenstedelijk bouwen kan ook niet in een vloek en een zucht maar gaat vaak vele malen sneller, zeker omdat er sprake kan zijn van grotere locaties waar meerjarige aaneengesloten productie mogelijk is.

Ontwikkelaars willen natuurlijk wat verdienen, maar daarmee zijn het niet allemaal boeven

6. Werk anders samen

Boodschap aan de ontwikkelaars: die gemeente is er echt niet altijd op uit om jou te dwarsbomen. Veel gemeenten doen echt hun best om woningbouwinitiatieven zo goed en zo snel mogelijk te faciliteren. Vaak kan dat beter. Maar bedenk: we hebben jarenlang mensen opgeleid vanuit de gedachte dat een plan alleen goed kan zijn als aan alle gemeentelijke, specialistische en afdelingseisen wordt voldaan. Die stapeling van eisen moet vaak nog worden ‘afgebroken’. En andersom, boodschap aan de gemeenten: ontwikkelaars willen natuurlijk wat verdienen, maar daarmee zijn het niet allemaal boeven. Bedenk dat ontwikkelen en transformeren waarde creatie is voor beide partijen. Wees daar naar elkaar transparant over. Boeken open, aan twee kanten; zowel laten zien wat je verdient als ontwikkelaar maar ook laten zien hoe het kostenverhaal of de grondexploitatie is opgebouwd.

7. Durf af te wegen

Procedures duren soms extra lang omdat de verschillende belangen tegenstrijdig kunnen zijn. Bijvoorbeeld het belang van de komst van woningen in de binnenstad versus het belang dat er voor die extra woningen ook voldoende extra parkeerruimte moet komen. Vaak is die extra parkeerruimte fysiek niet ter plaatse te maken. Dan is een bestuurlijke afweging op zijn plaats in plaats van ellenlang touwtrekken: wat moet de doorslag geven. De nieuwe Omgevingswet brengt dit soort afwegingskwesties indringender in beeld. Daarmee valt nu al vaak te oefenen. In dit geval: van het eigen parkeerbeleid kan altijd worden afgeweken mits goed onderbouwd.

Veel gemeenten doen echt hun best om woningbouwinitiatieven zo goed en zo snel mogelijk te faciliteren

8. Oefen alvast met de nieuwe Omgevingswet

Zoals hiervoor al aangegeven: de nieuwe Omgevingswet vraagt vaker om de diverse belangen bestuurlijk tegen elkaar af te wegen. Daarvoor ontstaat meer ruimte, als de wetgeving een feit is. Ook nu kan vaak al veel meer worden afgewogen dan we gebruikelijk doen. En zo nodig kan er worden vooruitgelopen op de nieuwe Omgevingswet, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de figuur van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Bij zo’n bestemmingsplan (als tranche van de CHWet) kan veel flexibeler worden bestemd, kan kostenverhaal praktischer worden ingericht en kan de bestuurlijke afweging van bijvoorbeeld geluid tegenover andere aspecten intergraler plaatsvinden. Een groot aantal gemeenten is al met zo’n bestemmingsplan aan het experimenteren.

De Gemeente Zaanstad hield grote schoonmaak en ging van 130 naar 40 beleidsnota’s

9. Neem de gemeenteraad mee

Gemeenteraden kunnen op hun strepen gaan staan. Dat recht hebben ze en van dat recht wordt vaak gebruik gemaakt als ze aan het eind van de rit een plan alleen kunnen goed- of afkeuren. Het kan versnellend werken als een raad vanaf het begin wordt ‘meegenomen’. Leg aan het begin kaders voor (geen detailregels maar hoofdlijnen) en vraag ruimte om binnen die kaders zaken uit te werken en af te handelen. Voorkom verrassingen aan het eind van de rit.

10. Dimmen met beleid

Veel gemeenten kennen tientallen, ja soms meer dan honderd beleidsnota’s alleen al op het fysieke terrein. Al dat beleid moet in theorie meespelen als er een nieuw woningbouwplan op tafel komt. ‘In theorie’, want lang niet al het beleid is in elke situatie relevant, en ‘in theorie’ omdat niemand in de gemeente al dat beleid kent. Ieder kent z’n eigen stukje. Daarin zit een groot gevaar. De Gemeente Zaanstad hield grote schoonmaak en ging van 130 naar 40 beleidsnota’s. Niet door dikkere nietjes gebruiken maar door echt te schrappen. In de volgende schrapronde nemen ze ook de gemeenteraad mee. Zo’n opschoning helpt en maakt de organisatie bewust van de onmogelijke stapeling van eisen die vanuit de ‘specialismen’ is opgebouwd. Dat kan projecten versnellen.

Open deuren?  Ja, veel open deuren. Maar heel vaak blijken die deuren op slot en soms zelf potdicht. Daarom is het goed om op die deuren te blijven kloppen. We zullen alle zeilen moeten bijzetten om de huizengekte te verslaan. Sneller bouwen hoort daarbij.

Jos Feijtel

 

SEMINAR
Meer weten? Op het Seminar ‘Waar bouwen we in de stadsregio‘ op vrijdag 20 april op de redactie van ROm/Stadszaken.nl gaan we met Edwin Buitelaar, Jan Latten, Jessie Wagenaar (directeur BPD), Paulus Jansen (wethouder Utrecht), Sjors de Vries (Ruimtevolk, namens Concilium Zwolle), Fleur Gräper-van Koolwijk (gedeputeerde Gronignen, namens de Nationale Omgevingsvisie) en hopelijk ook U in gesprek over de woonopgave. Aanmelden kan hier.

 

Verbaasd

Het was even stress toen me gevraagd werd in te springen bij een project dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed aan het voorbereiden was. De Atlas van Jacob van Deventer zou op 4 april worden gepresenteerd en overhandigd. De beoogde projectleider vertrok op het moment dat er nog best veel moest gebeuren. En 4 april, dat klonk als een deadline…

Een nieuwe projectleider werd snel gevonden, evenals de communicatieadviseur die hierbij een taak had. Die laatste dat was ik. Een buitenstaander, want mijn communicatierol zat meestal aan de bureaukant, niet vaak aan die van de klant. En al helemaal niet als die klant een overheidsinstelling was. Maar de mouwen moesten omhoog, er was werk aan de winkel.

Is het raar als ik schrijf dat ik best een beetje verbaasd was over de vaart waarmee we van start gingen? Dat ik op dag één een handjevol mensen ‘hallo’ had gezegd omdat de rest het te druk had en met een rood hoofd in het computerscherm zat, of met een tas vol paperassen over de gang holde? Dat het boekje ‘Spuitbus met Zweetlucht’ over de inzet van de gemiddelde ambtenaar in een flits door mijn hoofd was gegaan, maar dat dat bij binnenkomst volledig was verdampt?

Er was een deadline, dus er moest worden gehandeld. Dat was het en zo ging het.

De volgende verbazing  had alles te maken met het inhoudelijke project waaraan gewerkt werd. Die atlas met een verzameling van 226 stadskaarten. Een historisch document waar al mijn directe collega’s op z’n minst een beetje opgewonden van raakten. Jacob van Deventer, de man die in de 16de eeuw in opdracht van Filips II de meer dan 250 steden die de Lage Landen rijk waren in kaart had gebracht. Hoe? Met een potlood, een meetlat en touw. Kaarten van binnensteden waar je nu naadloos luchtfoto’s en Google-beelden overheen kunt leggen. We hebben het over de periode tussen 1545 en 1575!

En dan de rol van de RCE. Opnieuw verbazing. Die dienst maakte het mede (financieel) mogelijk dat de Atlas er kwam. Met een kanttekening, dat wel. Namelijk dat we met de atlas in de hand wel moeten nadenken over de rol van het erfgoed bij de verschillende wateropgaven waarmee al die 226 steden inmiddels te maken hebben. Waterstress, hittestress, het zijn zaken waar we anno nu in de binnensteden mee worden geconfronteerd. Wateroverschot, watertekort, bodemdaling, we hebben er maar mee om te gaan. En daar komt de RCE met het credo: ‘beste watermanagers, wethouders en andere betrokken professionals, kijk bij je zoektocht naar oplossingen even naar het verleden. Jacob van Deventer tekende die waterkeringen al, de waterlopen en infrastructuren. Gebruik die informatie. Het ligt vaak dichterbij dan je denkt. Er is al eens over nagedacht!’

Als je redelijk blunt binnenkomt bij de RCE en als je ziet met hoeveel ziel en zaligheid gewerkt wordt aan de toepassing van een werk uit de 16de eeuw om Nederland te helpen met serieuze overlast die er is en die door klimatologische verandering steeds vaker voor zal komen… Dan ben je een beetje… verbaasd.

Ed Ligthart, communicatie adviseur voor het project Atlas water in de stad

Het buitenland lacht zich krom

Daags na het ‘koeiendansen’ – het vrije uitstootfestival voor weidegangers – publiceerde de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) het rapport Duurzaam en Gezond. Het rapport gaat over verduurzaming van het voedselsysteem en de noodzaak tot inkrimping van de veestapel. Geen nieuwe boodschap. De poster ‘Minder vlees mevrouw, u weet wel waarom’, van De Kleine Aarde uit Boxtel stamt al uit 1974.

Meer dan veertig jaar later riep de FAO in 2016 het ‘Jaar van de Boon’ uit, maar ook in 2018 krijgt de Rli de politiek nog altijd niet mee voor de boodschap: eet bonen in plaats van vlees voor milieu, klimaat en hoogstwaarschijnlijk uw gezondheid. En dat terwijl er geen speld tussen te krijgen is. Voor een kilo vlees is gemiddeld vijf kilo peulen en een heleboel water nodig. Die kunnen beter direct gegeten en gedronken worden. Dat geeft nog minder verzuring en broeikasuitstoot ook. Zo gaan we goed op weg om de mensheid gezond te voeden en de klimaatverandering te bestrijden.

Vaker een peertje schillen

Toch schoven de regeringspartijen het dringende advies van Rli tot inkrimping van de veestapel terzijde. CDA-woordvoerder Jaco Geurts meende zelfs dat het buitenland zich krom zou lachen als we het advies zouden volgen. Weten Geurts en de regering dan niet hoe het ervoor staat met de wereld en het klimaat? Jawel, maar ze gaan niet mee in de ‘Mammaloe-redenering’ van het bonenfront.

Voor de jongere lezers: Mammaloe was de vrouw van Pipo de Clown. Samen met haar man vertelde zij in de jaren zestig van de vorige eeuw op de NTS-televisie vanaf de bok van hun ezelwagen korte verhaaltjes voor het slapen gaan. Soms werden daarin wereldproblemen aangestipt, waarop Mammaloe steevast verzuchtte: ‘ach, als de mensen toch eens vaker een peertje zouden schillen’. Een advies waar toen al geen speld tussen te krijgen was. Wie peertjes schilt, kan niet tegelijkertijd ruziemaken of oorlog voeren.

Probleem met zowel het peertjes- als bonenadvies: de mensheid gaat niet zomaar meer peertjes schillen of bonen eten. En om het nu maar weer bij de peulen te houden: sterker nog, de armoede in de wereld loopt terug en de groeiende welvaart vertaalt zich in een stijgende eiwitconsumptie in de vorm van vlees en zuivel.

Zero Sum Game

De Rli erkent dat en haalt een scenario-studie van Odegard en Van der Voet uit 2014 aan. Daarin staat dat de huidige trend in consumptie van dierlijke producten niet verenigbaar is met de beperkte natuurlijke hulpbronnen. Op pagina 62 stellen de auteurs: ‘Ook bij maximale, wereldwijde efficiëntieverbetering is een voedselpatroon als dat van de geïndustrialiseerde wereld niet weggelegd voor de gehele wereldbevolking. Bij een rechtvaardige (gelijkwaardige) verdeling van hulpbronnen zal de westerse voedselconsumptie moeten verduurzamen.’

Ik weet niet of de Rli, dan wel Odegard en Van der Voet, bij die maximale efficiëntieverbetering aan optimale intensivering en industrialisatie van landbouw en veeteelt hebben gedacht, maar ze reduceren het vraagstuk hier in ieder geval tot een zero sum game. Er is één koek te verdelen en wat ze daar te weinig hebben, moet van het teveel bij ons komen. Het gaat uit van een eenvoudig arm-rijk schema dat samenvalt met ‘het Rijke Westen’ versus de rest en kiest de moreel superieure positie waarin wij onze ‘schuld’ aan de wereld inlossen door te verduurzamen. Dat is prachtig, maar zo werkt het niet.

Je kunt het ‘als wij het niet doen, dan doet een ander het’ van de regeringspartijen afdoen als laf ontlopen van verantwoordelijkheid, maar het is natuurlijk wel zo. De relevante sectoren in andere landen staan te trappelen om onze positie als meest efficiënte en grote speler in de groeimarkt van voedselproductie, -verwerking en – distributie over te nemen. Dat gaan we niet laten gebeuren en dat is maar beter ook.

De landbouw moet vaker ‘los van de grond’

Er zijn problemen met de intensieve landbouw: uitputting van de grond, uitspoeling van gewasbeschermingsmiddelen, aantasting van de biodiversiteit. En in de veehouderij zijn de hoofdpijndossiers niet minder. Denk aan het mestoverschot, dierziekten, dierenwelzijn, grootschalige ruimingen en gezondheidsrisico’s in dichtbevolkte regio’s zoals Brabant. Stalbranden, bizarre mestinjecteerpraktijken en de trage erkenning van de ernst van de Q-koortscrisis zijn schrijnende voorbeelden.

Daarom moet de landbouw ook vaker ‘los van de grond’ en horen die grootschalige veebedrijven niet meer op het platteland en die koeien niet in de wei. Kunnen ze beter een plek krijgen op industrieterreinen en in de havengebieden waar zonder onnodig vervoer diervriendelijk en met gecontroleerde uitstoot geproduceerd kan worden voor de export en de hoofdmoot van de binnenlandse vraag.

Dat is de techniek, wat blijft is de kwestie van de ethiek. Het idee dat wij in ‘het Westen’ de wereld (mensen, dieren, planten en grondstoffen) uitbuiten en uitputten voor onze onverzadigbare vraatzucht. Ook het Rli-rapport ademt op sommige plaatsen die sfeer. De werkelijkheid van nieuwe wereldverhoudingen en nieuwe elites die zich alles kunnen permitteren, is anders.

De wereld heeft er meer aan als Nederlandse z’n koppositie in efficiënte en duurzame voedselproductie behoudt

Ook ideeën over de omgang met natuurlijke hulpbronnen verschillen wereldwijd. Dat is geen kwestie van bewustwording die maar tot één uitkomst kan leiden. Bijna vijftig jaar na ‘Minder vlees mevrouw, u weet wel waarom’ blijven de biologische landbouw en veeteelt, de bonenbeweging en de Vegan-trend zelfs in ons land marginaal.

Reëel gezien heeft de wereld meer aan behoud van de Nederlandse koppositie in efficiënte en daarmee in veel opzichten ook duurzame voedselvoorziening. Misschien is het niet de reden waarom de regering het advies van de Rli negeert, maar is het gewoon bedienen van het gevestigde landbouwbelang. Hoe dan ook: voorlopig geen veestapelinkrimping of vleestaks.

Als we op termijn uit (misplaatst) schuldgevoel dan toch per se een nieuw front willen openen in de nationale cultuuroorlog door gewone mensen een betaalbaar stukje vlees te ontzeggen, het zij zo. Als we dan maar niet het idee hebben dat we daarmee een wereldprobleem oplossen.

Bas van Horn

Beleidsontwikkelaar (ondergrond)beleid

Beleidsontwikkelaar (ondergrond)beleid
Standplaats: Zwolle, 36 uur per week

Verbinder die het ondergrondbeleid kent en met energie en vernieuwingskracht ondergrond en bovengrond verbindt voor een mooi en leefbaar Overijssel.

Wat ga je doen
Ondergrond en bovengrond gaan hand in hand. Geothermie en woonwijken; transformatie en grondwater; opslag en leefbaarheid. Wij benaderen de ruimtelijk fysieke opgaven 3-dimensionaal. Ondergronds en bovengronds gebruik zijn onlosmakelijk verbonden. Overijssel heeft recent de beleidsuitgangspunten voor deze 3D-benadering vastgelegd in de Omgevingsvisie. Samen met een uitvoeringssystematiek die alle verschillende belangen inzichtelijk maakt en tegen elkaar afzet (Afwegingsystematiek ondergrond), is dit de kern van het ondergrondbeleid in Overijssel. Overijssel heeft hiermee een vooruitstrevend beleid en werkwijze die vanuit de leefomgeving belangen en beleidsvelden verbindt. Wij zoeken een enthousiaste, gedreven collega die zowel op de inhoud als het proces bepalend is in de ontwikkeling van ons ondergrondbeleid. Iemand die deskundig is op het brede domein, die de verbindingen en samenhang met andere beleidsvelden en de buitenwereld ziet en vormgeeft. Iemand die makkelijk schakelt tussen beleid en concrete uitvoering.

Je draagt bij aan de beleidsontwikkeling en de uitwerking van beleid. Als senior initieer je beleidsontwikkeling en ben je aanspreekpunt en adviseur voor het bestuur. Je beschikt over een effectief landelijk netwerk en je bent verantwoordelijk voor regionale en landelijke advisering (IPO etc.). Je begeleidt het proces om samen met de Overijsselse gemeenten de overgang van de Wet bodembescherming naar Omgevingswet voor elkaar te krijgen. Je komt terecht in het team Beleidsvorming en programmering. We zoeken een collega voor 36 uur per week.

  • Wat breng jij mee?
    Een gedreven professional met inhoudelijke achtergrond binnen het ondergrond-domein, die sterk is in het organiseren van processen en beschikt over de creativiteit en vernieuwingskracht om de provinciale opgaven in het ruimtelijk-fysiek domein te kunnen duiden en bij elkaar te brengen. Actief in landelijk en regionale netwerken met een sterk gevoel voor bestuurlijke en politieke verhoudingen, die een stevig inhoudelijk gesprek kan voeren op uiteenlopende beleidsterreinen. Concreet vertaald zijn wij op zoek naar iemand met de volgende kenmerken:• Relevante ondergrond opleiding op wo-niveau.
    Ervaring met diverse complexe beleidsadvisering in het domein, in relatie tot andere beleidsdomeinen.
    Ervaring met complexe bestuurlijke advisering mondeling en in schrift.
    Kennis van en ervaring met het (ondergrond)beleid in de Omgevingsvisie Overijssel.
    • Initiator en trekker van beleidsprocessen en cocreaties.
    • Vanuit een breed bestuurlijk perspectief ontwikkelingen en opgaven van (strategisch) advies en aanpak voorzien.
    • Kunnen initiëren van (beleids)ontwikkelingen om zo maatschappelijke ontwikkelingen en opgaven te vertalen in wenkende perspectieven voor bestuur, management en beleidsontwikkelaars.
    • Weet vanuit een bestaand breed netwerk gemakkelijk verbindingen met in- en -externe partijen te leggen en is in staat coalities te smeden.
    • Gedreven professional die weet om vanuit eigen toegevoegde waarde tot focus, aanpak en resultaat te komen.

Bij de eenheid Ruimte en Bereikbaarheid bieden we elkaar de mogelijkheid om talenten optimaal in te zetten en verder te ontwikkelen. Je affiniteit met het ondergrond-domein in combinatie met je talenten maakt jou de juiste schakel tussen je collega’s binnen de eenheid RB, maar vooral ook tussen de andere eenheden en onze partners. Je hebt lef nodig om te ontdekken en wil verantwoordelijkheid nemen voor het signaleren, creëren en benutten van kansen. Ook als je nog niet weet waar die kans toe zal leiden. Door ruim te denken, zonder het doel uit het oog te verliezen weet je resultaten te realiseren binnen de organisatie en daarbuiten. Jij weet hoe je jouw unieke talenten hiervoor in kunt zetten en wij helpen je deze talenten tot nog meer rendement te laten komen.

Wat bieden wij jou?
Jij krijgt voor deze functie -afhankelijk van je ervaring – een salaris van minimaal 3.746,99 en maximaal 5.352,83 (schaal 12) bij een 36-urige werkweek. Daarnaast krijg je een Individueel Keuze Budget van circa 22% van je jaarsalaris waar onder andere je vakantiegeld, eindejaarsuitkering en bovenwettelijk verlof is ondergebracht. Je bepaalt zelf binnen grenzen wanneer en waarvoor je het budget inzet.

De provincie Overijssel staat voor een uitdagende en inspirerende werkomgeving. Wij zijn een moderne werkgever met betrokken, ondernemende en vakkundige medewerkers. Werken op basis van je talenten vinden wij belangrijk, daarom wordt je takenpakket daar zo veel mogelijk op afgestemd. Je krijgt bij ons veel ruimte om jezelf verder te ontwikkelen door middel van cursussen en opleidingen. Samen met je collega’s werk je binnen een informele werksfeer waar je ook kunt flexwerken. Bekijk onze werkomgeving op www.werkenbijoverijssel.nl 

Jouw plek binnen onze organisatie
Je gaat aan de slag bij de eenheid Ruimte en Bereikbaarheid, een van de acht eenheden binnen de provincie Overijssel. Samen met je collega’s ben je daar verantwoordelijk voor een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de steden en het landelijk gebied. De thema’s ruimte, ondergrond, water, wonen, bereikbaarheid en openbaar vervoer zijn jullie aandachtspunten. Leidend voor het beleid is de omgevingsvisie (zie www.omgevingsvisie.nl) Hierin staat beschreven waarom en hoe de provincie Overijssel de leefomgeving wil behouden en ontwikkelen. Duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit staan daarbij hoog in het vaandel. Ontwikkelingen en veranderingen in de samenleving stellen jou en je collega’s regelmatig voor nieuwe opgaven. Een intensieve samenwerking met burgers, bedrijven, andere overheden en verschillende belangengroepen is cruciaal om deze opgaven aan te pakken. Jouw eenheid bestaat uit de teams Beleidsstrategie, Beleidsvorming, Beleidsrealisatie en het ov-bureau. Je gaat samenwerken met zowel 85 vaste collega’s, als collega’s die op tijdelijke basis vanuit hun expertise bijdragen.

Meer informatie over de provincie Overijssel vind je op www.overijssel.nl.

Job alert
Wil je op de hoogte blijven van vacatures die aansluiten bij jouw interesse en achtergrond? Registreer je dan voor een job alert Je ontvangt direct een mail wanneer er een interessante vacature voor je verschijnt.

Meer informatie over deze vacature
Alle gesprekken zijn in Zwolle. Tijdens de selectie zul je kennismaken met een aantal medewerk(st)ers van het team. Voor vragen over de functie en procedure kun je contact opnemen met Joram Wortman, teamleider, op 038-4998183.

Je kunt solliciteren tot 29 april 2018 via het online sollicitatieformulier.

Provincie Overijssel maakt voor de invulling van deze vacature geen gebruik van een Werving & Selectiebureau of andere Intermediair. Acquisitie naar aanleiding van deze vacature is niet gewenst.

Strategisch Adviseur Vervoersautoriteit

Metropoolregio Rotterdam Den Haag is op zoek naar een:

Strategisch Adviseur Vervoersautoriteit
36 uur

Wie zijn we?
De Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) is dé samenwerking van, voor en door 23 gemeenten in de grootstedelijke regio Rotterdam Den Haag. Samen met het bestuur, de gemeenten, medeoverheden en onze netwerkpartners van kennisinstellingen en bedrijfsleven, werken we aan het verbeteren van onze positie als Europese topregio. Wij werken aan een aantrekkelijke regio voor inwoners om te werken, wonen en recreëren, waar (internationale) bedrijven zich vestigen en waar bezoekers zich welkom voelen. Wij richten ons op het versterken van de bereikbaarheid en het economisch vestigingsklimaat. Het gaat erom dat er geïnvesteerd wordt in onze regio, zodat de economie groeit en er meer banen komen.

De MRDH is een vrijwillige gemeenschappelijke regeling van 23 gemeenten en heeft als verlengd lokaal bestuur de status van vervoerregio vanuit de Rijksoverheid gekregen. Daarmee heeft de MRDH wettelijke taken op het gebied van verkeer en vervoer. Zo formuleren wij regionaal verkeer en vervoersbeleid en zijn wij opdrachtgever van het regionale en stedelijke openbaar vervoer in het MRDH gebied, waarvoor wij concessies verlenen aan vervoerbedrijven. Daarnaast verstrekken wij subsidies voor diverse verkeer- en vervoerprojecten en voor beheer, onderhoud en vervanging van OV-infrastructuur. De MRDH ontvangt hiervoor rechtstreeks middelen van het Rijk (circa € 650 mln. per jaar). Daarnaast heeft de MRDH taken voor het versterken van het economisch vestigingsklimaat in het MRDH gebied op het gebied van onder andere werklocaties (bedrijventerreinen, detailhandel, kantoren), smart infrastructure (energietransitie, next generation woonwijken), economische vernieuwing (fieldlabs, campusvorming), arbeidsmarkt-onderwijs en economie van het landelijk gebied. De MRDH ontvangt hiervoor een bijdrage van de 23 gemeenten (circa € 5 mln. per jaar).

De MRDH wordt bestuurd door het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. Voorts zijn er twee bestuurscommissies voor verkeer en vervoer respectievelijk economisch vestigingsklimaat waarin wethouders zitting hebben. Tot slot zijn er twee adviescommissies voor verkeer en vervoer respectievelijk economisch vestigingsklimaat waarin raadsleden zitting hebben. De MRDH samenwerking wordt ondersteund door de MRDH organisatie, die nauw samenwerkt met de 23 gemeenten, waar de uitvoeringskracht ligt en het bestuurlijk en ambtelijk eigenaarschap is belegd. Daarnaast wordt vanuit de inhoud nauw opgetrokken met bestuurders en medewerkers van medeoverheden en onze netwerkpartners van vervoerders, kennisinstellingen en bedrijfsleven. De komende maanden spelen de nieuwe bestuursperiode, de nieuwe strategische agenda en het doorontwikkelen van regionaal besturen en organiseren een grote rol in onze activiteiten.

Wie zoeken we?
Bij de directie Vervoersautoriteit zoeken wij een strategisch adviseur. Je geeft (mede) sturing aan complexe strategische projecten en programma’s, waarbij je excelleert in het doorvertalen van strategie naar realisatie en zorgt dat die realisatie ook daadwerkelijk plaats vindt. Zo werk je bijvoorbeeld mee aan de vorming en realisatie van de strategische agenda van de MRDH en het MIRT-gebiedsprogramma. Daarnaast draag je bij aan de ontwikkeling van kennis, onderzoek en innovatie binnen de organisatie door je te verdiepen in relevante trends en ontwikkelingen in onze regio en in andere gebieden of regio’s waar we als MRDH van kunnen leren. Op basis van je inzicht en je strategische vaardigheden adviseer je het managementteam en de medewerkers van de directie over trends en ontwikkelingen in het ruimtelijk-economisch domein, in het bijzonder verkeer en vervoer, en je draagt bij aan de totstandkoming van (integrale) visies, strategieën en aanpakken. In deze functie vorm je een hecht netwerk met strategen en experts op het ruimtelijk-economisch domein, binnen en buiten de MRDH-organisatie. Ook geef je geregeld toelichtingen aan bestuurders en managers. Je weet hun taal te spreken en bent daarin effectief. Je legt hiërarchisch verantwoording af aan de directeur Vervoersautoriteit en functioneel aan de manager strategie en bestuur.

Wat zijn de functie-eisen?

  • Universitaire opleiding, bijvoorbeeld sociale geografie.
  • Specifieke kennis en ervaring ruimtelijk-economisch domein (verkeer en vervoer, woningbouw, clustereconomie).

Welke competenties zoeken we?

  • Probleemanalyse
  • Proces- en programmamanagementvaardigheden
  • Netwerkvaardigheden
  • Politieke en bestuurlijke sensitiviteit

Wat zijn onze kernwaarden?
Vanuit ons DNA – verbinding, toekomstgerichtheid en ondernemerszin – kennen we zes kernwaarden:

  • Proactief
  • Resultaatgerichtheid
  • Opdrachtgeverschap
  • Flexibiliteit
  • Samenwerken
  • Sensitief voor de omgeving

Wat bieden we?
We bieden een prettige en professionele werkomgeving, waarin we voor resultaat gaan. We bieden daarbij een salaris dat, afhankelijk van opleiding, leeftijd en ervaring, maximaal € 6574,- bruto per maand (schaal 14, cao gemeenten) bedraagt bij een volledige werkweek. We bieden daarnaast aantrekkelijke secundaire arbeidsvoorwaarden, bijvoorbeeld de opbouw van een individueel keuzebudget, een vergoeding voor een tablet/laptop en mobiele telefoon, volledige ov-vergoedingen voor woon-werkverkeer (2de klasse) en dienstreizen (1ste klasse). Een dienstverband voor onbepaalde tijd behoort tot de mogelijkheden.

Wil je bij ons komen werken?
Je sollicitatie, voorzien van cv, dient uiterlijk 25 april 2018 in het bezit te zijn van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, t.a.v. de heer J. Gosse, directeur Vervoersautoriteit, per e-mail j.vandam@mrdh.nl. Wil je meer weten over de functie dan kun je contact opnemen de heer J. Gosse, directeur Vervoersautoriteit, telefoon 088-5445183. Kijk op https://mrdh.nl voor meer informatie over onze organisatie.

Na sluiting van de termijn vindt een briefselectie door de selectiecommissie plaats, waarna de gesprekken worden ingepland.

Een assessment kan onderdeel uitmaken van de procedure.

Acquisitie naar aanleiding van deze vacature wordt niet op prijs gesteld.