Vier stappen om klimaatadaptatie behapbaar, doelmatig en flexibel te maken
Bewust omgaan met klimaatadaptatie, geen stress!

| 24 oktober 2018

auteur Renier Koenraadt, Dirk Jan Venema, Albert de Vries

Renier Koenraadt is Strateeg Ruimtelijke Adaptatie bij Antea Group
Dirk Jan Venema is dataspecialist en adviseur ruimtelijke, strategische vraagstukken
Albert de Vries is senior adviseur ondergrond en klimaatadaptatie bij Antea Group

Geef klimaatadaptatie een volwaardige plek bij nieuwbouw en herstructurering

In gesprek te blijven met maatschappelijke partners over de koers

 

Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zijn druk met de klimaatverandering. Om zicht te krijgen op de zwakke schakels voor wateroverlast, hitte, droogte en overstroming in hun beheergebied, voeren ze stresstesten uit en denken ze na over mogelijke maatregelen. Daarna gaan ze aan de slag en bepalen ze iedere zes jaar of ze nog op koers liggen. Net zo lang tot de ruimtelijke inrichting van Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is. Het klinkt eenvoudig, maar toch is het voor veel overheden een worsteling.

Lees het volledige artikel in ROm 10, oktober 2018.
ROm is gratis voor ambtenaren ruimte, infrastructuur en milieu bij de rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen. Word nu abonnee.

Begripsafbakening
Klimaatadaptatie en ruimtelijke adaptatie worden als termen regelmatig door elkaar gebruikt. Toch is het niet hetzelfde. Klimaatadaptatie is bedoeld om de leefomgeving en de samenleving weerbaar te maken tegen de gevolgen van de klimaatverandering en de toenemende kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen. Ruimtelijke adaptatie gaat ook over andere opgaven, zoals energietransitie, gezondheid, mobiliteit, economie, natuur en recreatie. De crux bij ruimtelijke adaptatie is het in samenhang, integraal en op een gelijkwaardig niveau bezien en oplossen van opgaven door:

  • klimaatadaptatie en andere opgaven integraal te verankeren in omgevingsvisies;
  • klimaatadaptatiemaatregelen te koppelen aan maatregelen vanuit andere opgaven en te programmeren op korte, middellange en lange termijn;
  • indicatoren voor wateroverlast, hitte, droogte en overstroming te benoemen en het effect van klimaatadaptatiemaatregelen te meten;
  • maatregelen waar nodig bij te stellen zodat doelen voor klimaatadaptatie in 2050 worden bereikt.

We gaan de stappen langs.

Stap 1. Een breed speelveld uitzetten
In het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie hebben overheden afgesproken om hun doelen en ambities voor ruimtelijke adaptatie in omgevingsvisies vast te leggen. De Omgevingswet biedt overheden de mogelijkheid om het speelveld in deze visies breed te houden. Dat kan bijvoorbeeld door alleen hoofdlijnen en doelstellingen op te nemen voor het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied. Binnen deze kaders kunnen overheden dan zelf plannen maken en maatschappelijke partners uitnodigen om met ideeën te komen (uitnodigingsplanologie). Zo’n breed speelveld heeft een aantal voordelen:

  • een herijking van de omgevingsvisie is alleen nodig wanneer doelstellingen of kaders veranderen;
  • de omgevingsvisie wordt minder gevoelig voor onzekerheden;
  • initiatieven waarbij bedrijven, bewoners, terreinbeheerders en andere maatschappelijke partners het voortouw nemen, maken ook klimaatadaptatiemaatregelen op private terreinen bespreekbaar.

Een mooi voorbeeld van zo’n breed speelveld is terug te zien in de digitale omgevingsvisie van de Gemeente Oisterwijk (www.omgevingsvisie-oisterwijk.nl). Via een laagdrempelige website geeft Oisterwijk veel ruimte voor burgerinitiatieven die aansluiten op specifieke wensen in wijken. Dit kunnen initiatieven zijn ten aanzien van groenbeheer, gebruik van openbare ruimte of voorzieningen. De burgers en ondernemers zijn aan zet. De gemeente faciliteert alleen nog als daar vraag naar is.

Stap 2. Vuistregels
Klimaatadaptatiemaatregelen staan zelden op zichzelf. Ze overlappen ruimtelijk en in de tijd met maatregelen vanuit andere opgaven. Om de synergie te benutten en geen meekoppelkansen te missen, is het zaak goed na te denken over de programmering van maatregelen. Naar analogie met Trias Energetica tekenen zich voor klimaatadaptatie drie basisvuistregels af:

  1. Zoek maatregelen rond klimaatadaptatie primair in het beheer van:
    • de openbare ruimte door beheerplannen aan te passen en combinaties te zoeken met vervangingsopgaven voor wegen, riolering en andere infrastructuur op ‘common ground’;
    • de private ruimte door maatschappelijke partners bewust te maken van hun eigen verantwoordelijkheid en ze te prikkelen om zelf het initiatief te nemen.
  2. Geef klimaatadaptatie een volwaardige plek bij nieuwbouw en herstructurering. Bijvoorbeeld door bij de inrichting van de openbare ruimte expliciet rekening te houden met de meest voorkomende windrichting, met verkoeling en met schaduwwerking. Een slimme verdeling van groen, blauw en rood levert een optimale klimaatbestendigheid op. Zo geven bomen schaduw én ze verdampen hun opgeslagen vocht – wat zorgt voor verkoeling. Bovendien halen ze schadelijke CO2 uit de lucht. Meer groen in de stad loont dus al snel de moeite.
  3. Los restopgaven op met doelgerichte en flexibele ‘geen spijt’-maatregelen die iedere zes jaar zijn bij te sturen.

De Radboud Universiteit Nijmegen heeft begin dit jaar onderzoek gedaan naar prikkels die overheden kunnen geven om het gedrag van maatschappelijke partners te beïnvloeden en klimaatadaptatiemaatregelen in de private ruimte te stimuleren. Het aanspreken van burgers en ondernemers op de risico’s van klimaatverandering en op de voordelen van het nemen van adaptatiemaatregelen voor een buurt of wijk blijkt opvallend effectief. Net als het opzetten van een digitaal platform, waarop ze onderling informatie kunnen delen over de toepassing van adaptatiemaatregelen binnen hun eigen private ruimte. Maar ook zichtbare adaptatiemaatregelen binnen de openbare ruimte en bij overheidsgebouwen – gras in plaats van stenen op parkeerplaatsen, daktuinen en groene gevels – werken volgens het onderzoek motiverend.

Stap 3. Meten is weten
Om onzekerheden weg te nemen, is het zaak de juiste data en informatie te vergaren. Dat kan door de komende jaren metingen uit te voeren en verzamelde data te gebruiken bij het nemen van besluiten. Datagedreven werken dus. Maar voor veel overheden is dat nog geen gemeengoed. Welke kritische indicatoren ga je meten voor klimaatadaptatie? Zijn deze indicatoren voldoende SMART? Welke databronnen en datatypen gebruik je en waar vind je die? Hoe analyseer je data en hoe zit het eigenlijk met privacy en gegevensbescherming? Met wie werk je samen? Welke koppelingen zijn te leggen met metingen van milieuaspecten (zoals lucht, geluid, (zwem)waterkwaliteit et cetera) in het kader van de Omgevingswet?

Allemaal zaken die goed moeten worden uitgezocht. De mogelijkheden op het gebied van data en informatie zijn immers eindeloos. Bovendien gaan ontwikkelingen snel en dienen zich steeds nieuwe bronnen aan. Zo zijn in het kader van smart cities nieuwe sensoren ontwikkeld voor het meten van luchtkwaliteit, temperatuur en luchtvochtigheid. Deze zijn ook in te zetten als ‘early warning’ om klimaatschade te voorkomen. Verder is het gebruik van satellietbeelden interessant. In het dataportaal van het Netherlands Space Office NSO zijn beelden te vinden over oppervlaktetemperaturen en vegetatie. TU Delft gebruikte deze gegevens om een verband te leggen tussen hitte, ruimtegebruik en sterfte onder ouderen in Den Haag. Daarvoor werden satellietgegevens (remote sensing) gekoppeld aan meetgegevens van sensoren in Den Haag en aan waarnemingen van burgers (crowd sensing). Nadat het verband was gelegd, kon de gemeente gerichter nadenken over maatregelen, zoals het verminderen van bitumen daken en het vergroenen van binnenterreinen.

En wat te denken van gemeentelijke beheer- en informatiesystemen. Hierin is veel informatie terug te vinden over de vervangingsopgave van infrastructuur en kunstwerken die dateren uit de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Juist deze vervangingen zijn een kans om de klimaatopgave integraal mee te nemen. Gemeente Bergeijk bijvoorbeeld gebruikte deze informatie om de vervangingsopgave te koppelen aan de klimaatopgave. Zo ontstonden nieuwe ideeën voor het afkoppelen van regenwater en het bergen van water in wijken.

Stap 4. De ingezette koers toetsen en leren
De voorgaande stappen leveren een schat aan informatie op. Nieuwe inzichten vormen een mooie aanleiding voor overheden om de komende jaren in gesprek te blijven met maatschappelijke partners over de gezamenlijk te varen koers. Waar zijn we op de goede weg en wat moet anders om de doelen in 2050 te behalen? Wat vraagt dat aan maatregelen? Is dat mogelijk binnen het speelveld van de vastgestelde omgevingsvisies? Zijn nieuwe prikkels nodig, bijvoorbeeld door beleidsinstrumenten in te zetten, zoals een heffing op het verhard oppervlak, een korting op de rioolheffing of subsidieregelingen voor het afkoppelen van regenwater en de aanleg van groene daken?