Contract voor de fysieke leefomgeving

| 2 september 2016
Marcel Bayer

Marcel Bayer

Met de Omgevingswet is de geest uit de fles. Niet alleen de overheid zal anders gaan werken, ook ondernemers en burgers worden aangezet om eigen verantwoordelijkheid te nemen. Maar het begint nu bij de overheid, en vooral gemeenten zien steeds meer in wat de nieuwe wetgeving voor hen gaat betekenen. Het is een wetgevingsoperatie die z’n weerga in de recente geschiedenis niet kent. Niet zozeer omdat er zoveel verandert in de nieuwe wetgeving. Nee, het is vooral de wijze van denken en werken die ‘om’ moet. Wim Tijsssen noemt het in zijn essay in de septembereditie van ROmagazine ‘geestverruimend’ denken en werken.

Het omgevingsplan gaat niet alleen meer over ruimtelijke ordening en milieu, maar ook over bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, cultureel erfgoed en werelderfgoed, aldus Tijssen, werkzaam bij de Academie voor Openbaar Bestuur en de Gemeente Tilburg.

Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat regels die nu nog in de Algemene Plaatselijke Verordening hun grondslag vinden, moeten worden overgeheveld naar het omgevingsplan als het een regel betreft onder dit artikel van de Omgevingswet. Deze verruimde reikwijdte van het omgevingsplan kun je zien als geestverruimend middel, meent hij. Dat geldt ook voor de andere gemeentelijke instrumenten in de keten van de fysieke leefomgeving, te weten de omgevingsvisie en de omgevingsvergunning met toezicht en handhaving als sluitstuk.

Tijssen zegt: ‘De Omgevingswet is voor de gemeentelijke overheid een instrumentenkoffer gevuld met geestverruimende middelen. Hoe meer beleidsterreinen kunnen worden begrepen onder het stelsel van de Omgevingswet, hoe meer uitruilmogelijkheden er boven de streep zijn en hoe eenvoudiger het is om onder de streep per saldo nog een voldoende te scoren, oftewel een ‘goede fysieke leefomgeving’. Een uitdaging is dan wel om de verticale integratie van beleid tussen de bestuurslagen aan te laten sluiten op de horizontalisering in de samenleving.

In de wijze waarop de Omgevingswet gaat werken en wat dit vraagt van alle betrokkenen, de overheid voorop dus, is het inderdaad een ‘geestverruimend middel’.

Dat vraagt visie, heel concreet: een omgevingsvisie. Want zonder een behoorlijk duidelijk beeld van de wenselijke fysieke leefomgeving loop je vast bij de toetsing van initiatieven in de zo gewenste afwegingsruimte. Visie-plan-vergunning; het is zo’n voor de hand liggende drie-eenheid. Het vraagt een totaal andere inrichting van het planproces, met een goede afweging wanneer je onderzoek doet bijvoorbeeld, maar alles staat of valt met een visie; niet te vaag, duidelijk van kaders voorzien en breed gedragen.

Dat laatste wordt misschien nog wel de grootste uitdaging. Want dat gemeentelijke afdelingen, betrokken bij de leefomgeving, niet meer vanachter hun ambtelijke en juridische schutting kunnen opereren, weten we nu wel zo langzamerhand. Maar voor een visie op de fysieke leefomgeving is het ook nodig dat je weet naar wat voor een soort economie we gaan, hoe onze samenleving eruit moet gaan zien. Een integrale visie op onze fysieke leefomgeving vraagt om een samenhangend en breed gedeeld beeld van de samenleving in zijn algemeenheid. Ga daar maar aan staan.

Een enorme kluif, maar ook een geweldige uitdaging en een kans om de bijkans failliete partijdemocratie een nieuwe impuls te geven. Want als je de burger ergens mee prikkelt, dan is dat wel de toekomst van zijn of haar eigen directe leefomgeving. De Omgevingswet, gericht op de gehele fysieke leefomgeving in al z’n integraliteit, biedt de kans op een verankering van de participatieve democratie, en misschien wel een nieuw sociaal contract tussen burgers onderling en met de overheid.

Marcel Bayer
Hoofdredacteur ROm

Meer blogs van Marcel lezen?