De auto centraal in het proces, niet in het plan

| 6 mei 2020

COVID-19 laat zien hoe waardevol het is om gezond te zijn. In het ruimtelijk beleid is gezondheid heel lang een ondergeschoven kindje geweest. Er was altijd wel aandacht voor milieuhygiënische aspecten, maar meestal via de gemakkelijke weg van normopvulling. Vol overtuiging gaan voor “kwaliteit van leven” kom je maar zelden tegen als het gaat om geluid of luchtkwaliteit. De laatste jaren begint gezondheidspreventie meer aandacht te krijgen mede, door de aandacht voor de benadering van positieve gezondheid. Gemeenten als Utrecht en Eindhoven timmeren stevig aan de weg als het om gezondheid en ruimte gaat. Goed voorbeeld doet goed volgen.

Mobiliteit is veelal het aanknopingspunt in negatieve én in positieve zin. Negatief vanwege de ruimteconsumptie en milieuoverlast door gemotoriseerd verkeer – van vliegen tot brommen. Positief in de vorm van stimuleren van lopen en fietsen. Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) heeft in de week van 30 maart aan een vast mobiliteitspanel een aantal coronavragen voorgelegd. Ongeveer 20 procent van de ondervraagden geeft aan na de coronacrisis meer te gaan lopen en fietsen dan voorheen. Eenzelfde percentage verwacht in de toekomst juist minder reizen met het vliegtuig te maken. De schrik voor het openbaar vervoer zit er bij het panel goed in als we anderhalve meter serieus nemen.

De kans die corona de fiets biedt, zouden we moeten oppakken. Langzaam verkeer heeft grote voordelen voor het leven in de stad. Op veel plekken wordt gewerkt aan verbetering van de inrichting van de openbare ruimte gericht op stimulering van fietsen en lopen. De fietsinfrastructuur komt met tal van maatregelen op een hoger niveau: stallingsplaatsen, fietsstraten, opstelstroken voor verkeerslicht, etc.

“De kans die corona de fiets biedt, zouden we moeten oppakken”

De Fietsersbond komt in een recent advies naar aanleiding van corona met een aantal voorstellen die een stap verder gaan, zoals snelheidsverlaging voor de auto, verkeersruimte multimodaal maken, verplicht fietspad onverplicht maken, verkeerslichten uitzetten of het fietsvriendelijk afstellen en voorlichting over veilig verkeersgedrag in tijden van corona. Maatregelen, die niet alleen in tijden van corona toe te juichen zijn en een structureel vervolg verdienen. Ze dragen bij aan een veilige en bereikbare stad én het zijn bouwstenen voor een gezonde en leefbare stad.

De meeste van onze steden zijn van oudsher gemaakt om te lopen en zijn sterk verstoord door de auto. Binnen steden, en vooral in de centrumgebieden, voltrekken zich geleidelijk veranderingen, deels door de overheid gestuurd, die meewind opleveren voor het langzame verkeer. Parkeren wordt steeds duurder, het ruimtegebruik intensiveert en het aantal inwoners neemt toe, veel (kleinere) bedrijven zoeken een locatie met allerlei diensten in de nabijheid. Menige binnenstad is opgeknapt, activiteiten zijn eenvoudig te combineren en er valt veel te kiezen en te beleven. Dat geldt voor de grote vier én voor middelgrote en kleinere steden. De druk op de ruimte neemt toe. Corona versterkt de noodzaak om anders met openbare ruimte en tijd om te gaan. Een andere ruimteverdeling is een van de denkrichtingen. Stedelijke verblijfsruimte verhoudt zich slecht met gemotoriseerd verkeer. Wie een gezonde en leefbare stad wil, zal anders moeten denken over de verdeling van de verkeersruimte in de stad met meer ruimte voor zitten, hangen, lopen en fietsen. De Fietsersbond doet met het corona-advies een voorzet, die een volgende stap kan zijn naar een structurele herverdeling van de verkeersruimte in de stad en verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte.

Autoverplaatsingen moeten mogelijk zijn, maar mogen best wat moeite kosten”

In de “anderhalve meter” economie zit je in de auto veilig zullen veel mensen denken. De rust op de wegen zou dus wel eens van korte duur kunnen zijn. Bij de vraag hoe we tot gezondere en leefbaardere steden komen, valt de auto niet te negeren. We moeten inwoners en bezoekers van steden enerzijds een sterke verbetering bieden van de voorzieningen voor lopen, fietsen, multimodaliteit en verblijf in de openbare ruimte. Het moet een bijna vanzelfsprekende keuze zijn om van die modaliteiten gebruik te maken. Anderzijds is soms rigoureus ingrijpen (minder verkeersruimte, flinke snelheidsverlaging) en soms stapsgewijs morrelen (instelling verkeerslichten, parkeertarieven) aan de kwaliteit van de autobereikbaarheid binnen stedelijk gebied nodig. Autoverplaatsingen moeten mogelijk zijn, maar mogen best wat moeite kosten. Dit vraagt dat de auto wel een centrale positie heeft in het denkproces om tot meer gezonde en leefbare steden te komen, maar niet in de plannen, die dit oplevert.       

Henk Puylaert