De klimaatbestendige stad vraagt juist om meer groen

| 1 april 2020

Inbreiding en verdichting verhouden zich moeilijk tot het groener en klimaatbestendig maken van de stad. Dat blijkt uit een analyse van satellietbeelden van Zaanstad tussen 2003 en 2016. Er is in die periode bijna 20 procent van het stedelijk groen verloren gegaan. De verdichtingsambitie blijft voor de komende jaren onverminderd hoog. Daarentegen is er juist meer groen nodig om steden voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering. Toch kan een compacte stad ook groen zijn. Dat vraagt wel een beleidsomslag.

De gevolgen van een veranderend klimaat zijn geleidelijk steeds meer zichtbaar: keer op keer nieuwe hitterecords, steeds vaker hevige regenbuien, afgewisseld met periodes van langdurige droogte. Deze trends zullen doorzetten, zelfs als het zal lukken om de opwarming van de aarde te beperken tot twee graden. Veel gemeenten maken daarom plannen hoe hiermee om te gaan. Centrale thema’s daarbij zijn het tegengaan van hittestress en het voorkomen van wateroverlast als er in korte tijd veel regen valt. Een belangrijk onderdeel van de adaptatiestrategie is het realiseren van meer groen in de stad. Bomen en groenstroken reguleren immers het binnenstedelijke klimaat: de schaduw van bomen en het verdampen van vocht zorgt voor verkoeling op warme zomerdagen. Groenstroken fungeren als bufferzones om grote hoeveelheden neerslag op te vangen.

Tegelijkertijd is de druk om meer woningen te bouwen onverminderd groot. De beschikbaarheid van banen en voorzieningen is geconcentreerd in de Randstad en andere stedelijke agglomeraties. Vooral in deze toch al dicht bebouwde gebieden is er behoefte aan meer woningen. Om de openheid van het landelijke gebied rond de steden te behouden wordt vaak gekozen voor inbreiding.

In de praktijk blijkt dat de wens om te komen tot een klimaatbestendigere stad en het realiseren van meer woningen met elkaar op gespannen voet kunnen staan. We illustreren dit hier aan de hand van ontwikkelingen in Zaanstad in de periode 2003-2016, middels de analyse van hoge-resolutie-satellietbeelden uit deze jaren (zie figuur 1).

Onderzoek met satellietbeelden
De geanalyseerde beelden zijn afkomstig van de satellietinstrumenten Worldview 2 (resolutie 0,46 m breedbandig; 1.84 m multi-spectraal) en Quickbird (resolutie 0,64 breedbandig; 2,41 m multi-spectraal). Deze instrumenten leveren beelden met de hoogste ruimtelijke resolutie die commerieel beschikbaar zijn. De beelden zijn, op basis van neuraalnetwerktraining, geklassificeerd in drie pixeltypen: bebouwd oppervlak, groen, en water. De gehanteerde methode is in 2018 door Giezen, Balikci en Arundel ook toegepast om ontwikkelingen in Amsterdam te analyseren. De geanalyseerde beelden betreffen volledig onbewolkte dagen en zijn genomen in de zomer (september en juli), zodat de vegetatie in beide beelden volkomen volgroeid is. Het geselecteerde gebied is het meest stedelijke deel van Zaanstad. Het ligt het ingeklemd tussen het Noordzeekanaal (zuidgrens) de Coentunnelweg (oost- en noordgrens), en het Natura 2000-gebied Polder Westzaan (westelijke begrenzing).

Ontwikkelingen in Zaanstad

Uit de analyse blijkt dat er in de periode 2003-2016 in Zaanstad veel groen gebied verloren is gegaan. Van het beschouwde gebied was in 2003 50 procent geclassificeerd als verhard oppervlak. In 2016 is dit toegenomen tot 57 procent. Het gebied dat als groen is geclassificeerd, is afgenomen van 39 procent in 2003 tot 32 procent in 2016. De rest van het beschouwde gebied is geclassificeerd als wateroppervlak en is niet in omvang veranderd (11 procent). In die dertien jaar is het groene oppervlak dus per saldo met bijna 20 procent afgenomen. Dit is als rood gebied aangegeven in de verschilkaart. Er zijn ook enkele gebieden die in 2003 als verhard oppervlak waren geclassificeerd en in 2016 als groen oppervlak (aangegeven met paars in de verschilkaart). Het gaat om nog onbebouwde terreinen en een voormalige vuilstortplaats die in die periode meer begroeid zijn geraakt.

Groenafname door woningbouw en vertegeling

Ruwweg de helft van de afname van groen betreft relatief grote clusters. Op die plaatsen is in de betreffende periode gebouwd, ten koste van binnenstedelijk groen. De andere helft betreft afname van groen in kleine clusters of individuele pixels. Dit wijst op het toenemen van verhard oppervlak (bestrating) zonder dat er sprake is van nieuwbouw. Het gaat hierbij niet alleen om verlies van openbaar groen, bijvoorbeeld als gevolg van herstructurering na rioleringsonderhoud, maar ook om verlies van groen in tuinen van particulieren. Veel particulieren kiezen bij het aanpakken van hun tuin voor een onderhoudsvrije tuin met relatief veel bestrating. Opvallend is daarbij het verschil tussen wijken. Met name in nieuwbouwwijken die gebouwd zijn voor 1985 is veel groen door dergelijke ‘vertegeling’ verloren gegaan. In jongere nieuwbouwwijken is dit minder het geval, mogelijk omdat er al vanaf de oplevering minder groen aanwezig was en omdat bomen die bij de oplevering van de wijken zijn geplant nog verder zijn gegroeid in de beschouwde periode, hetgeen de ontgroening compenseert.

De aanwezigheid van groen in Zaanstad in 2003 (links) en 2016 (midden). Rechts de gebieden met de grootste af- of toename. Bron: PBL

Inbreiding

Gelet op het belang van binnenstedelijk groen voor klimaatadaptatie, is het verlies van groen een zorgelijke ontwikkeling. In Zaanstad is de ambitie uitgsproken om de komende twintig jaar 15.000 tot 20.000 woningen bij te bouwen, vooral via inbreiding. Dit is een bijdrage aan de omvangrijke ontwikkeling van de metropoolregio Amsterdam. Het aantal extra woningen zou bereikt moeten worden door nieuwbouw of door alternatieven, zoals transformatie van panden en splitsing van bestaande woningen.

Er liggen mogelijkheden om inbreiding te combineren met met behoud van groen in de stad. Denk aan het realiseren van daktuinen of groene gevels bij gebouwen. Uiteraard gaat dit gepaard met meerkosten bij de bouw. Daar staat tegenover dat dergelijke panden meer waarde zullen hebben. Ook blijft het aandacht geven aan het bestaande groen bij herinrichtingen van belang, en het zorgen voor goede standplaatsen voor nieuw te planten bomen als behoud van bestaande bomen niet mogelijk is.

Randvoorwaarden

Het realiseren van groen bij inbreidingsprojecten gaat niet vanzelf. De meeste projectontwikkelaars kiezen in de praktijk voor het realiseren van zoveel mogelijk woningen tegen zo laag mogelijke kosten. Hun bouwplannen moeten uiteraard passen binnen het bestemmingsplan/omgevingsplan en voldoen aan het bouwbesluit. De juridische mogelijkheden om groen- en natuurinclusief bouwen als randvoorwaarde op te leggen zijn aanwezig, maar worden nog maar weinig gebruikt.

Den Haag heeft als eerste een puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen ingevoerd

De gemeente Den Haag heeft in 2019, als eerste gemeente in Nederland, een puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen ingevoerd. In Den Haag wordt het puntensysteem toegepast bij uitgifte van grond die in gemeentelijk eigendom is; het is (nog) niet van kracht voor bouwlokaties die in particulier bezit zijn. Het systeem verplicht projectontwikkelaars om voldoende groen in bouwplannen te realiseren. Het systeem is ontwikkeld in samenspraak met projectontwikkelaars en architecten, en biedt flexibiliteit om op verschillende manieren binnen het te realiseren project invulling te geven aan de groeneisen. Een ontwikkelaar of architect moet voor zijn ontwerp een keuze maken uit een lijst met maatregelen waaraan punten zijn toegekend. Voorbeelden daarvan zijn: aanleggen van een biodivers dak (drie punten), aanleggen van een sedumdak (twee punten) en aanbrengen van een insectensteen (een punt). Vooraf is vastgelegd hoeveel punten in totaal nodig zijn bij een bouwproject.

Zaanstad wil het Haagse voorbeeld volgen, maar beschikt zelf over weinig grondposities. Wel heeft de gemeente de mogelijkheid om bij herziening van het bestemmings- of omgevingsplan, bijvoorbeeld om een bouwplan te realiseren, randvoorwaarden voor groen- en natuurinclusief bouwen vast te leggen. Dat kan met voorwaardelijke verplichtingen zoals een percentage groene ruimte of een aantal te behalen groenpunten. De verwachting is dat de invoering van de Omgevingswet, waarin een gezonde fysieke leefomgeving centraal staat, deze mogelijkheden verder kan vergroten. Het zal moeten blijken of er voldoende bestuurlijk draagvlak is om deze mogelijkheden met voldoende kracht toe te passen. En of het realiseren van de bouwambities niet alleen leidt tot meer in Zaans groen geverfde gebouwen, maar ook tot voldoende levend groen.

Tekst door Robert Koelemeijer en Mendel Giezen.
Robert Koelemeijer is senior beleidsonderzoeker bij het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Mendel Giezen is universitair docent Urban Planning bij de Universiteit van Amsterdam (UvA).

Foto door Jolanda Hogendoorn