De testcase heet Rijnenburg

| 29 januari 2020

De polder Rijnenburg, ten zuidwesten van Utrecht, staat al twee decennia op de nominatie voor verstedelijking. Onder druk van de woningnood loopt de discussie over Rijnenburg nu hoger op dan ooit. De diverse spelers koesteren totaal verschillende ideeën en belangen. Tegelijkertijd zijn ze op elkaar aangewezen om welke plan dan ook op gang te krijgen. Het resulteert in een sublieme impasse, die bij uitstek fungeert als testcase voor het Nederlandse woningbouwbeleid en de ruimtelijke ordening en de keerzijde ervan, aangezien de vergaande decentralisatie van het ruimtelijk beleid en het normale polderproces hier niet werken en partijen elkaar perfect in de greep houden. Ik schets dat aan de hand van de posities die partijen innemen.    

De Gemeente Utrecht wil de grote woningvraag binnenstedelijk oplossen en heeft daarvoor ambitieuze plannen. De Utrechtse politiek wijst Rijnenburg als woningbouwlocatie af, in ieder geval tot 2030. Daarbij speelt de vrees voor een ‘auto-locatie’ een belangrijke rol. Het huidige, links georiënteerde stadsbestuur zet zwaar in op duurzaamheid en klimaat en op binnenstedelijke transformaties. Of die binnenstedelijke ambities volledig en op tijd realiseerbaar zijn, valt te betwijfelen. Neem als voorbeeld het transformatiegebied Merwedekanaalzone. Het officiële programma mag dan 10.000 woningen bevatten, maar 6.000 zou de uitkomst kunnen zijn, afhankelijk van de verkeersafwikkeling en het draagvlak in de omgeving.

Of de binnenstedelijke ambities van het stadsbestuur volledig en op tijd realiseerbaar zijn, valt te betwijfelen

In Rijnenburg komt als het aan het gemeentebestuur ligt een ‘energielandschap’. Het gemeentebestuur wil acht mega-windmolens plaatsen. De turbines hebben een tophoogte tot 235 meter. Daarnaast komt ruimte voor 230 ha aan zonnepanelen. Het midden van de polder blijft vrij van windmolens. Dit houdt ‘de mogelijkheid voor een brede ontwikkeling van het gebied open, zoals woningbouw’. De gemeente wil met het energielandschap ‘een forse bijdrage leveren aan het opwekken van duurzame energie’. De windmolens en zonnepanelen kunnen ongeveer 20 procent van de huidige Utrechtse vraag naar elektriciteit leveren en daarmee 82.500 huishoudens van stroom voorzien. Het molen- en zonnepark kan op z’n vroegst in 2022 klaar zijn. Ze blijven er dan voor tenminste twintig jaar staan, dus tot 2042.

Uitstel van woningbouw betekent feitelijk het afserveren van deze generatie

In theorie zet dit voorstel de woningbouwlocatie op een termijn van twintig jaar. Feitelijk betekent het echter het afserveren van deze generatie, zeker als je voorbereidingstijd voor een grote woningbouwlocatie (tien jaar) in ogenschouw neemt. 

Het valt op dat de biodiversiteit en het landschap er in het gemeentevoorstel bekaaid vanaf komen. Zo zullen de windmolentorens een enorme (negatieve) impact op de wijde omgeving hebben, inclusief het Groene Hart. Bovendien hebben ze een negatieve invloed op de waarde van huidige en nieuwe woningen hun invloedssfeer, nog afgezien van de negatieve gezondheidsaspecten.       

Het provinciebestuur van Utrecht schaart zich vooralsnog achter de gemeente: geen woningbouw tot 2040. De provincie heeft met de rijkoverheid in november 2019 (bij het zogenaamde Bestuurlijke Overleg MIRT) afgesproken dat zij gaat zorgen voor 130 procent plancapaciteit voor de woningbouw vanaf 2025. Een stevige opgave, want Utrecht is een van provincies die tot nu toe juist een tekort aan reële plancapaciteit vertoont. 130 procent reële plancapaciteit zonder Rijnenburg en rekening houdend met het huidige ruimtelijke beleid van de provincie? Het lijkt een volstrekte illusie.

Als we de blik vervolgens op de rijkoverheid richten, zien we een parlement dat in (een kleine) meerderheid meent dat aan woningbouw in Rijnenburg niet te ontkomen valt. Een motie, in juni 2019 ingediend door VVD en CDA, opperde zelfs het geven van een bindende ‘aanwijzing’ aan de gemeente. Dat is een zelden toegepast interventie-instrument in de Wet op de Ruimtelijke Ordening om een bestemming – in dit geval woningbouw – af te dwingen tegen de zin van de gemeente. Onder deze druk stelde minister van BZK Kajsa Ollengren de tekortschietende plancapaciteit en Rijnenburg indringend bij gemeente, regio en provincie aan de orde. Zonder tastbaar resultaat, zoals uit haar rapportage in september 2019 aan de Tweede Kamer valt af te leiden.

Dan komen we bij de grondeigenaren, die zo’n 70 procent van de gronden in handen hebben. Zij pleiten uiteraard al jaren voor woningbouw, tot nu toe tevergeefs. Het consortium, waar AM, Amvest, Ballast Nedam Development, Bouwinvest, BPD, Bunnik Projekten, GroenWest, Latei, Mitros, Portaal, Slokker, Synchroon en Timpaan deel van uitmaken, heeft in december 2019 opnieuw een aanloopje genomen. Met een ‘appel’, bepleiten zij een symbiose van woningbouw met het energielandschap.

Zij gaan voor een eindbeeld met 25.000 woningen, met een focus op laagbouw in gemengde woonmilieus, met 35 procent sociaal en 25 procent middelduur in het programma. Ook bedrijvigheid en voorzieningen van allerlei aard krijgen een plaats in de nieuwe wijk. Over de mobiliteit valt te lezen: 
–  HOV/Lightrail functionerend vanaf de eerste woningen in het centrum van Rijnenburg;
– Investeringen in openbaar vervoer vanuit de gebiedsontwikkeling door de marktpartijen;
– Snelfietsverbindingen naar centrum, werklocaties en buitengebied.

Het consortium wil bestaande landschappelijke kwaliteiten, flora en fauna en cultuur-historische waarden waar mogelijk handhaven en versterken. ‘Rijnenburg versterkt het concept Ringpark’. Dat de marktpartijen willen meewerken aan de gemeenteplannen voor plaatsing van de mega-windmolens en aan de 230 ha zonnepanelen op hun gronden is hoogt onwaarschijnlijk. Zeker als het perspectief op woningbouw ontbreekt.

Zo houden de partijen elkaar perfect in de greep; de impasse is compleet. Hoe die te doorbreken? Op de inhoud kom ik tot de volgende opstelling.   
1. De aanhoudende grote vraag naar woningen in de regio Utrecht (niet alleen de stad), maakt de woningbouw onontkoombaar. De plannenmakerij en de voor-investeringen zullen een periode van zeker tien jaar vergen. Daarom nu beginnen. Daarbij kunnen inpasbare elementen van het ‘energielandschap’ meegenomen worden, maar de mega-windmolens passen daar sowieso niet in.
2. Dé grote opgave bij Rijnenburg is de verkeersontsluiting en de mobiliteit. De vrees van de Gemeente Utrecht voor een ‘auto-locatie’ is niet onterecht. Het gaat om een complexe en kostbare operatie die de hele zuidkant van Utrecht en de naastgelegen gemeenten raakt. De rijksoverheid moet acteren als volwaardige speler, beleidsmatig, financieel en met Rijkswaterstaat. Dat geldt ook voor de ontwikkelende marktpartijen die, naast hun normale bijdragen aan publieke voorzieningen, hebben aangeboden in hoogwaardig openbaar vervoer te investeren dat vanaf het eerste moment beschikbaar moet zijn. Laat ze hun mooie visie waarmaken en benut hun organisatiekracht.
3. Daarnaast vragen zaken als de waterhuishouding vroegtijdige aandacht, evenals de landschappelijke aanhechting aan de het Groene Hart.

Laat marktpartijen hun mooie visie waarmaken en benut hun organisatiekracht

Het kan niet anders dan dat de rijksoverheid het heft in handen neemt. De vergaande decentralisatie van het ruimtelijk beleid en het normale polderproces werken hier niet, om meerdere redenen. In de eerste plaats blijkt dat het gemeentebestuur van Utrecht zijn eigen plannen gewoon doorzet en de polder-interventies van de minister aan zich voorbij laat gaan. In de tweede plaats kan Rijnenburg alleen tot een succes worden gemaakt als publieke en private partijen nauw samenwerken, gezamenlijk de ontwerpopgaves definiëren en samen investeren.

De Tweede Kamer gaat de zaak waarschijnlijk op scherp zetten: dit is het moment. Zij moet de minister aanzetten tot een politiek, juridisch-planologisch en financieel ‘geweldje’ in de richting van de Gemeente Utrecht. Voor het juridisch-planologisch traject komen een ‘aanwijzing’ of een ‘rijks-inpassingsplan’ in aanmerking. Het terugdraaien van de gemeentelijke herindeling is ook een optie. Rijnenburg komt dan weer in handen van de gemeente Nieuwegein die de plannenmakerij naar verwachting voortvarend ter hand zal nemen. Het nadeel is de lange procedure die hiermee is gemoeid.

Rijnenburg ontpopt zich als testcase bij uitstek van het nationale woningbouwbeleid en de ruimtelijke ordening. Wat stelt de inzet van de rijkoverheid om de woningnood te bestrijden voor als het echt gaat schuren? En wat stelt de Nationale Omgevingsvisie voor als de ruimtelijke ontwikkeling in het hart van ons land een desastreuze wending dreigt te krijgen?
In Rijnenburg komt alles samen.  

Friso de Zeeuw