De urbanisatie van het groen

| 7 november 2018

Behalve de vrouw die de Van Woustraat de lelijkste straat van Amsterdam vindt (Iris van Lunenburg in het Parool van afgelopen weekend), ben ik nooit een vreemdere dame tegen gekomen dan de onderzoekster van Alterra die zonder blikken of blozen de toenmalige bestuurder van stadsdeel Nieuw-West op basis van haar onderzoek adviseerde meer groen aan te leggen in zijn stadsdeel teneinde de sociale cohesie te bevorderen.

De reactie van de GroenLinks bestuurder was veel korter dan voorgaande inleidende zin: ‘Mevrouw, kijkt u eens naar buiten!’, wijzend op de zeeën van groen die het stadsdeel kenmerken.

Er worden nog altijd vreemde geluiden verspreid over groen in de stad. Zo viel een maand geleden in landelijke kranten te lezen dat de Universiteit van Amsterdam via remote sensing had ontdekt dat groene ruimten met een omvang van maar liefst 550 voetbalvelden waren opgeofferd aan de verdichtingsoperaties in de stad. Voor recreatie ontoegankelijke of onbruikbare, sociaal onveilige braakliggende stukken grond zoals de Sluisbuurt vielen daar ook onder. Dat er op die plekken nieuwe stedelijke wijken ontstaan met ruime aandacht voor ecologisch- en gebruiksgroen viel buiten de beschouwingen (althans in de gazetten).

Groen is goed voor je gezondheid! Zeker, maar groen is geen panacee
In de groenste Amsterdamse wijken (referentiemaat is de omvang van het groen) is het met de gezondheid van de Amsterdammers het beroerdst gesteld, blijkt uit de Gezondheidsmonitor van de GGD. Er is veel meer aan de hand in de relatie tussen stedelingen en groen. Zoals alles verdient het denken over groen finetuning.

We zijn in Amsterdam enkele weken geleden gestart met het vierde Grote Groenonderzoek naar het gebruik van recreatiegebieden, parken en omgevingsgroen. Ik ben heel benieuwd naar de resultaten. Elke keer weer levert dit onderzoek nieuwe inzichten op. In 1996 viel op dat het bezoek aan de in de jaren ’70 aangelegde recreatiegebieden ver achter bleef bij de verwachtingen ten tijde van de aanleg. De explosieve toename van het gebruik van parken in het onderzoek van 2008 was verbijsterend, evenals het feit dat die groei vooral op het conto kwam van parken in de centrumstedelijke delen van de stad, en niet in de naoorlogse Wederopbouwgebieden. In 2013 werd ons duidelijk dat het Amsterdamse park bij uitstek  – het Vondelpark – geduchte ‘concurrentie’ kreeg van andere stadsparken en parken in de buurt van de nieuwe bouwlocaties, mits die deel uitmaakten of grensden aan de urban fabric. Niet vreemd, maar vreemd was wel dat ondanks investeringen in bijvoorbeeld het Nelson Mandelapark (voorheen Bijlmerpark) de bezoekersaantallen dáár daalden!

Interactiemogelijkheden in een groene setting maken parken zo aantrekkelijk
We concludeerden dat het niet zozeer het groen an sich is, als wel de interactiemogelijkheden in een groene setting die parken zo aantrekkelijk maken. Want ook (jeugdige) bewoners van de naoorlogse gebieden trekken meer en meer naar de parken ‘in de stad’, mede verleid door de smartphones waardoor men met alles en iedereen verbonden is. Men komt er snel achter waar je op welk moment moet zijn. De dwingende eis van nabijheid: ruimtelijke contractie noemden we dat. Met effecten op het gebruik van de recreatiegebieden rondom de stad: het bezoek nam af. Enkel de cultuurhistorische niet als recreatieplekken aangelegde gebieden als Amstelland en Waterland lieten een stevige stijging zien. Een roep om ‘authentieke, historisch verwijzende landschappen?

Het afnemend gebruik van de traditionele recreatiegebieden uit de jaren ‘70 heeft ook te maken met de krimpende tijd-ruimtebudgetten van stedelijke huishoudens. Zo heeft een gezin met twee jonge kinderen vier agenda’s op elkaar af te stemmen. Dat gezin zoekt dan naar plekken in de onmiddellijke nabijheid (wat het sterk gestegen gebruik van het woonomgevingsgroen verklaart), of verlaat de stad een weekend voor een ‘echt’ event op grotere afstand (als de pianoles, de hockeywedstrijd en het slaapfeestje het tenminste toelaten).

Hoe gaan we om met de stedelijke volkstuinen?
Welke verrassingen zal het Grote Groenonderzoek ons nu brengen? Heeft de afgelopen zomer de stedelingen naar het water gedreven, en welk water? Welke (nieuwe) parken zijn in het vizier van de stedelingen gekomen. Zijn dat de door ons in 2013 voorspelde plekken? Of is er iets nieuws aan de hand? Hoe is overigens de houding ten opzichte van de volkstuinen? Ook een belangrijke beleidsvraag.

In een ingezonden brief in Het Parool beklaagde een inwoner van Amsterdam zich dat ze, als ze op haar volkstuin was, last had van de geluiden van het drukke, naastgelegen Westerpark. Je hebt een huis, een tweede huis ‘op de tuin’, die midden in de stad ligt, en hebt last van het intensieve gebruik van een park van andere Amsterdammers. Je moet maar durven.

Het betreffende volkstuincomplex ligt binnen afzienbare tijd midden in een centrumstedelijk gebied. Op dat complex is het gebruik geconditioneerd (je mag er eigenlijk niet veel), je kunt het niet als doorgangsroute gebruiken, en het is een parochiale ruimte bij uitstek (een ruimte die gedomineerd wordt door een specifieke gebruikersgroep met haar eigen mores). Het openbare karakter van zo een groene ruimte is nihil. Allesbehalve een park dus.

In 1991 had ik mijn internationale vuurdoop als spreker tijdens een congres in Parijs: Les Parcs et Jardin de Demain. Aan de hand van de onderzoeken die we toen hadden gedaan in Amsterdamse parken en de duiding daarvan op basis van Angelsaksische literatuur voorspelde ik ‘de urbanisatie van het stedelijk groen’. De Grote Groenonderzoeken hebben sindsdien aangetoond dat het gebruik van parken inderdaad is veranderd in lijn met de veranderende stedeling. Die wilde geen oases van rust, die wilde niet ‘de stad ontvluchten’, die wilde niet alleen maar ‘wandelen en fietsen’ en ‘genieten van de natuur’. Het gebruik werd omvangrijker, diverser, frequenter, diffuser, meer gespreid over de week, en meer en meer gericht op contacten en het onderhouden van contacten. Parken werden belangrijke ontmoetingsplekken, maar ook werk- en studeerplekken. Parken werden de groene stad!

De doorgangsfunctie van parken is een ondergewaardeerde parkactiviteit
In een op interactie gerichte kenniseconomie maken stedelingen veel meer gebruik van de openbare ruimte. De smartphone ontwikkelingen hebben geleid tot meer face to face contacten die in de publieke ruimte plaatsvinden. Door ons gestegen cultureel kapitaal maken we meer gebruik van culturele voorzieningen in de (soms groene) publieke ruimte. Door het vervloeien van werk-, zorg- en vrijetijd fietsen we meer van hot naar her, en als het even kan door parken. De doorgangsfunctie van parken is een ondergewaardeerde parkactiviteit. Tenslotte, echt grote huizen kunnen we ons in de stad niet meer veroorloven of worden niet aangeboden. Kleinere woningen resulteren in meer afspraken buitenshuis en kinderpartijtjes in parken.

Het aantal inwoners in steden zal voorlopig nog wel even toenemen. De uithuizigheid van de oude en nieuwe stedelingen groeit exponentieel mee. Dan is een omheind volkstuincomplex midden in de stad met extensief en monofunctioneel gebruik een anomalie. Verdichten van de stad kan alleen met navenante vergroening en multi purpose gebruiksmogelijkheden van dat groen. Staan de groene oevers langs Amstel, kanalen, havenbekkens en grachten een gebruiksexplosie te wachten? Het vierde Grote Groenonderzoek zal ons uitsluitsel geven.