Het zit anders!
De wonderbaarlijke metamorfose van de Crisis- en herstelwet

| 18 januari 2019

Midden in de crisisperiode, in 2010, trad de Crisis-en herstelwet (Chw) in werking. In turbotempo had het kabinet het wetsontwerp in elkaar gezet, met premier Balkenende als persoonlijke aanjager. Het wet beoogde ruimtelijke en infraprojecten procedureel te versnellen om zo de investeringen nog een beetje op peil te houden.

Geleidelijk aan transformeerde de wet naar een mix van versnellingsmaatregelen en proeftuin voor praktische toepassing van onderdelen van de nieuwe Omgevingswet.
Deze stille metamorfose voltrok zich in alle stilte. Het is zeldzaam dat een wet een andere doelstelling krijgt zonder expliciete herziening. Daar komt geraffineerde politiek-bestuurlijke en ambtelijke sturing bij kijken. Maar ook het parlement heeft deze kameleontische verkleuring geaccepteerd en zelfs de Raad van State lag niet dwars.

De vlotte en onbureaucratische ambtelijke begeleiding onder leiding van Monique Arnolds heeft onmiskenbaar aan de brede acceptatie en steeds ruimere toepassing van de wet bijgedragen. Inmiddels ‘hangen’ meer dan 250 projecten onder de wet, gesitueerd in 150 gemeenten. Bovenaan de hitparade staat de toepassing van het ‘bestemmingsplan met verbrede reikwijdte’ waarvan er – ondanks de weerzinwekkende benaming – toch al zo’n 75 zijn vastgesteld. Met zo’n bijzonder bestemmingsplan kan het gemeentebestuur afwijken van een aantal wetten en anticiperen op het nieuwe (ruimere) regelkader van de Omgevingswet.

Een bijzonder geraffineerd staaltje politiek-bestuurlijke en ambtelijke sturing

Met het wetsvoorstel om de Chw te wijzigen in een Transitiewet Omgevingswet krijgt de verkleuring dan toch haar koninklijke mantel. Het wetsvoorstel is momenteel aanhangig bij de Tweede Kamer. Het versnelt de aanwijzingsprocedure om, bijvoorbeeld, de status pre-omgevingsplan te verkrijgen: via een ministeriële regeling in plaats van een algemene maatregel van bestuur. Tijdswinst zeven maanden. Ook worden de ‘toelatingscriteria’ versimpeld.

Daarnaast breidt het wetsvoorstel de lijst van wetten uit waarvan de gemeente – in de geest van Omgevingswet – kan afwijken. En daar gaat het mis. Die uitbreiding is veel te beperkt gebleven. De verschillende ministeries hebben met succes hun ‘eigen’ wetjes in bescherming genomen. Zo is de hele energiewetgeving, waarmee een kleine twintig wetten zijn gemoeid, buiten beeld gebleven. En juist lokale en regionale plannen in het kader van de energietransitie hebben regeltechnische armslag nodig. De VNG maakt hier terecht een punt van. De Tweede Kamer kan met haar recht van amendement een fraai schot voor open doel krijgen.

Ik stuit op een tweede misser: het verhaal van de minister van BZK dat deze wetswijziging de woningbouw bevordert. Daarbij wijst zij met name op de aanpassing van het ‘projectuitvoeringsbesluit’. Het is hier niet de plaats voor een juridisch-technisch exposé, maar neem van mij – bestuursrechtelijke nerd – aan dat dit vergunningsinstrument in vergelijking met de al bestaande ‘coördinatieregeling’ nauwelijks iets extra’s biedt. De Tweede Kamer heeft eerder dit jaar bij motie gevraagd om wettelijke belemmeringen teneinde de woningbouw procedureel te bevorderen. In plaats van de pontificale presentatie van een kruimeltje, kan de minister beter erkennen dat zij niets heeft kunnen vinden dat zij politiek acceptabel acht.

Friso de Zeeuw, emeritus hoogleraar Gebiedsontwikkeling TU Delft