Nieuwe energie
Deelmobiliteitsbeleid: handel vanuit je kernwaarden

| 29 oktober 2020

Deelmobiliteit is in opkomst en groeit vanwege andere mobiliteitsbehoeften in de ‘anderhalvemetersamenleving’ gestaag door. Dat is mijns inziens een mooie ontwikkeling, aangezien deelmobiliteit de belofte in zich heeft om bij te dragen aan belangrijke hedendaagse vraagstukken als ruimteschaarste, klimaatverandering en luchtkwaliteit. Veel gemeenten staan voor de opgave om passend beleid te maken en de druk vanuit de markt en de eindgebruiker, zoals bewoners die initiatieven starten, in goede banen te leiden. Hierbij ligt het gevaar op de loer dat we de opgave te eendimensionaal aanvliegen en de waaromvraag overslaan.

We beschouwen deelmobiliteit nu vaak als een openbare ruimte-vraagstuk en in Nederland zijn we natuurlijk gewend om in de reflex te schieten om alles een gepland plekje te geven. Hierdoor richten we ons te veel op ‘standplaatsgebonden’ (hub)oplossingen, terwijl de kracht van veel nieuwe, innovatieve deelmobiliteitsconcepten juist zit in hun ongebonden karakter: oppikken en achterlaten waar de eindgebruiker dat wenst (freefloating) of je deelauto terugbrengen in een straat (zonefloating) in plaats van een gereserveerd parkeervak of een hub. De recente ontwikkeling van Amber in Eindhoven is hier een mooi voorbeeld van. Zij lieten de hub-aanpak los en kozen voor freefloating. Het gevolg: meer gebruikers door de hele stad.

Om tot een goede balans te komen en de juiste deelmobiliteitsconcepten een kans te bieden is het raadzaam om als je gemeente beter te verdiepen in vragen als: waarom wil je deelmobiliteit faciliteren/stimuleren/reguleren. Voor welke doelgroepen doe je het en wat past er bij die doelgroep? Want ‘de’ deelmobiliteitgebruiker bestaat niet, zou onze koningin zeggen. Zo zie je de hippe jonge stedeling massaal de freefloating deel-e-scooters omarmen, terwijl je deze groep niet zo snel in een knalrode Greenwheels zal treffen; en andersom. Een deelauto-coöperatie project komt in de ene wijk wel van de grond en in de ander moeizaam. Dus is het van belang om te weten wat je waar moet stimuleren en geen generiek beleid over een hele stad uitrolt.

‘Weet wat je waar wilt stimuleren. Rol geen generiek beleid over de hele stad uit’

Kortom, diverse deelmobiliteitsoplossingen, maar ook diverse doelgroepen. Het is van belang om als gemeente goed te weten wat je er mee wil bereiken en hoe je die brede stedelijke ambities vertaalt naar passend deelmobiliteitsbeleid. Wil je de bereikbaarheid vergroten, dan kunnen deel-e-scooters helpen. Maar hoe zorg je dan weer dat je vitaliteitsdoelstellingen overeind blijven? Wil je een inclusieve stad zijn, zorg dan dat deelmobiliteit helpt bij de bestrijding van vervoersarmoede. Dan kun je voor het dilemma komen te staan om wel (nog even) te kiezen voor fossiele deelauto’s, een minder duurzame maar wel (nog) een goedkopere oplossing, waarbij je het toegankelijker maakt voor die sociale doelgroep. Zo zijn er tal van kernwaarden en ambities die bij adequaat deelmobiliteitsbeleid tegen elkaar afgewogen dienen te worden. Door dat te doen, creëer je meer positieve impact dan uitsluitend voor de openbare ruimte.

Nick Knoester, consultant bij Over Morgen