Duurzaam ontwikkelen is meer dan klimaat

| 23 november 2018

Partijen beter laten samenwerken in het ruimtelijk domein is een groot deel van mijn broodwinning. Als ik dat uitleg, krijg ik vaak te horen dat ik nog voor jaren werk zal hebben. Dat verbaast me. Het ligt toch voor de hand dat als je iets voor elkaar wilt krijgen in een gebied, je altijd anderen nodig hebt.

Neem enkele van de zogenoemde grote maatschappelijke opgaven: de energietransitie en de klimaatadaptatie. Rond deze opgaven organiseert zich een grote diversiteit aan mensen: ambtenaren, politici, adviseurs en betrokken burgers. De mate van institutionalisering neemt snel toe en voor je het goed en wel beseft, heb je een eigen wereld gecreëerd, die met de ‘allerbelangrijkste’ opgave uit deze tijd bezig is.

’We hebben haast, want Parijs is nog ver en 2030 al dichtbij’

Illustratief is de wijze waarop op veel locaties de afgelopen jaren warmtenetten ontwikkeld zijn (zie ROm ). Heb je een goede warmtebron en een paar flinke afnemers in de buurt, ga dan aan de slag en los ‘onderweg’ alle problemen op die je tegenkomt. Afstemming en samenwerking met andere beleidsterreinen en opgaven is lastig en houdt alleen maar op. We hebben haast, want ‘Parijs is nog ver’ en 2030 al dichtbij.

Ook bij klimaatadaptatie zien we hetzelfde gebeuren: stresstesten, risicoanalyses en vervolgens maatregelen. De afstemming met andere beleidsterreinen is een lastige opgave (zie rapport Klimaatadviesteam in opdracht van Min I&W). Waarom? In veel gevallen gaat het om excuses zoals werkdruk, onwetendheid, onzekerheid, kost veel tijd, afhankelijkheid, ingewikkeld en geen steun van de leiding. Zelfs binnen het thema klimaatadaptatie kom ik eigen werelden tegen. De mensen van kabels en leidingen en de mensen van groen trekken niet als vanzelfsprekend samen op. Suboptimale oplossingen zijn het gevolg, die in gebruik en beheer duur uitvallen en bewoners niet de  gewenste kwaliteit bieden.

’Zonder doeners zijn we nergens’

Urgente opgave leiden tot een roep om richting vanuit de nationale overheid: kaders, regels en vooral geld. Zolang dat er niet is, doen we er het beste aan om in elk geval de handen uit de mouwen te steken, gewoon te doen! Een aanpak, die ontegenzeggelijk in veel gebieden en projecten succes op levert. Zonder doeners zijn we nergens. Toch wringt het bij mij als planoloog. Tijdens de opleiding heb ik met de paplepel ingegoten gekregen, dat mijn vak een integrerende activiteit is, of zoals ik het zelf uitleg: ‘in een gebied komt erg veel samen, dat moet wel met elkaar verbonden en afgestemd worden, willen we voor nu en straks leefbare gebieden creëren’.

’De ruimtelijke vakwereld heeft de ‘ruimte’ gelaten aan anderen’

Blijkbaar heeft de ruimtelijke vakwereld onderweg een afslag gemist. We hebben de ‘ruimte’ gelaten aan anderen om in het middelpunt te gaan staan en moeten vervolgens de strijd aan om ruimtelijke kwaliteit terug te krijgen. In de afgelopen jaren heeft dat tot successen geleid. Vooral daar waar ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit voorop zijn gezet. Denk aan de parkeergarage in de Katwijkse duinen, de inpassing van de A4 Midden-Delfland in het landschap en in het stedelijk gebied van Schiedam, en de wijze waarop in Hengelo (Achterhoek) het Solarpark De Kwekerij is georganiseerd, ingepast en gecombineerd met groene recreatie.

Onze uitdaging is groter dan de energietransitie of klimaatadaptatie. Het gaat om de vraag: hoe creëren we aantrekkelijke leefomgevingen voor nu en straks? De uitgangspunten van ons vak, die ik ooit heb samengevat in  acht ‘kernwaarden duurzame ruimtelijke ontwikkeling’, geven richting: gezonde omgeving, zorgvuldig ruimtegebruik, toekomstbestendig, niet afwentelen, gebiedskwaliteiten benutten, mentaal eigenaarschap, vitaliteit en identiteit. Wel abstract, maar alle aanleiding om hier telkens het gesprek over te hebben, ook in het licht van het doel van de Omgevingswet: duurzaam ontwikkelen.

 

Henk Puylaert
henkpuylaert@h2ruimte.nl