Een betere stad: het zelfbedrog van de apologeten van het AUP

| 6 april 2017

Het Algemene Uitbreidingsplan (AUP) van Amsterdam staat met de tentoonstelling Een betere stad in het Stadsarchief Amsterdam, en een publicatie met dezelfde titel, flink in de belangstelling. De Westelijke Tuinsteden, Buitenveldert en enkele gebieden in de stadsdelen Oost en Noord zijn een verwerkelijking van het Algemeen Uitbreidingsplan uit 1935. Dit beroemde plan dat de stedenbouwers Van Eesteren en Van Lohuizen wereldfaam bezorgde, was direct geworteld in het Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM) dat vanaf de jaren ’30 door het gedachtegoed van de beroemde stedenbouwkundige en architect Le Corbusier (1887–1965) gedomineerd werd.

Bepalend, ook voor de Westelijke Tuinsteden, was het congres van 1933 waarin de functionele stad gedefinieerd werd: een stad waarin de functies wonen, werken, verkeer en vrijetijd strikt gescheiden zijn, en waar licht, lucht en ruimte overheersen. Van Eesteren speelde een prominente rol op dit congres en zou zich als hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling van de hoofdstedelijke Dienst der Publieke Werken een merkbaar trouwe volgeling van het functionalisme tonen. Na indrukwekkende experimenten met strokenbouw in de jaren ’30 in Bos en Lommer (Landlust) en in Zuid ten zuiden van de Kennedylaan (Uitbreidingsplan Zuider Amstel 1940), kwamen de licht, lucht en ruimte projecten enkele jaren na de oorlog pas echt van de grond.

Een revolutionair plan. Zeker! En wat de Westelijke Tuinsteden betreft nog omvangrijk ook. De ´betere stad´ werd na oplevering omarmd door stedenbouwers, eerste bewoners en kinderen daarvan. Zo ook landschapsarchitecte Yttje Feddes (anno 2011 Rijksadviseur voor het Landschap), die haar bewondering voor de Westelijke Tuinsteden vaak lardeert met aanstekelijke verwijzingen naar haar zorgeloze en vrolijke jeugd.

Maar die betere stad bleek uiteindelijk een anti-stad, en was dat in feite in beginsel al. Dit type stad deelt niet mee in de triomf van de stad van vandaag. Waarom niet? Lage dichtheden, functiescheiding en overdaad aan groen.

De oervader van het functionalisme, Le Corbusier, verfijnde de ideeën van de eerdere Garden City Movement van Ebenezer Howard (1902). Met deze beweging begint eind 19de-eeuw de  serieuze aandacht voor het groen in de stad. Het is een antistedelijke beweging die opgericht wordt als reactie op de ellendige leefomstandigheden in de steden uit die tijd. Stadslucht moest gezuiverd worden, het liefst met groen. Daar viel in die tijd natuurlijk iets voor te zeggen.

Maar de antistedelijkheid van Le Corbusier is eerder een pathologische. De man haatte de stad. Hij haatte de traditionele straten met gevelwanden en voorzieningen daarin. Daarover zijn genoeg publicaties voorhanden. In zijn beroemde Ville Radieuse (de Stralende Stad), een ontwerp voor een groene stad waarin alle functies gescheiden zijn en de stadstraten met gevelwanden vervangen zijn door snelwegen, krijgt deze antistedelijkheid gestalte. De ‘nieuwe mens’ moest en zou zich zo gedragen als het de grote bouwmeester behaagde, ook in de vrijetijd.

De meest essentiële kritiek op Le Corbusier is dat hij geen keuzes laat aan de inwoners van zijn ontwerpen. Dat werkt in tijden met de meest optimale keuzevrijheid en de meest verregaande keuzemogelijkheden onwerkbaar, frustrerend en uitermate remmend. Het zijn de op Le Corbusiers leest geschoeide woonwijken in de hele westerse wereld, waar bewoners vandaag de dag in de problemen zitten. Hoge werkloosheid, lagere lonen, laaggeschooldheid, zwarte scholen. De Britse publicist Theodore Dalrymple windt er in zijn essay The architect as totalitarian; Le Corbusier’s baleful influence (2009) geen doekjes om: ‘Le Corbusier was to architecture, what Pol Pot was to social reform’.

In de ogen van de eerste generatie die er is opgegroeid zijn de problemen in de huidige naoorlogse wijken niet te wijten aan de stedenbouwkundige structuur, maar aan het slechte onderhoud, de verandering van de bewonerssamenstelling, of aan het juist niet punctueel voldoen aan de oorspronkelijke plannen van de functionalisten.

Maar in feite zijn de aan het AUP toegekende kwaliteiten functiescheiding en overdaad aan groen de zwaktes van deze gebieden. Over het belang van functiemenging is vriend en vijand in het stedelijk debat het wel eens. Over de overdaad aan groen allerminst. Architectuurhistorici en oorspronkelijke bewoners stellen zich fel teweer tegen elke aantasting van wat in vele ogen een overdaad aan groen is. Maar overdaad schaadt. Gebrek aan schaarste (van het groen) maakt het groen juist veel minder waard. Het is niet voor niets dat de parken in de naoorlogse uitbreidingsgebieden in Nederlandse steden niet goed en soms zelfs slecht bezocht worden. Waar de parken binnen de Ring in Amsterdam uitpuilen, daalde het bezoek aan het Nelson Mandelapark (voorheen Bijlmerpark) zelfs, ondanks een indrukwekkende opknapbeurt. De overdaad aan groen belemmert de verbindingen met andere delen van de stad en levert soms onveilige situaties op.

Met de stelling dat je de gebruikskwaliteit van het ene groen sterk kunt verbeteren door ander groen voor andere functies te bestemmen, levert je in de vakwereld nog steeds meer vijanden dan vrienden op. Maar de stedenbouwkundige structuur (functiescheiding) met zijn “dreary and useless open space” (zoals Jane Jacobs de Corbusiaanse openbare ruimte noemde) is in sommige gevallen hopeloos.

Is zo een zure blog nou nodig? Kennelijk. Want aan deze fundamentele kritiek wordt in de tentoonstelling en het boek geen noemenswaardige aandacht besteed. Dat is niet alleen jammer, maar het vertroebelt de blik op de actualiteit van vandaag. Het brengt zelfs vakmensen tot verbazingwekkende uitspraken. Architectuurhistoricus Wouter Vanstiphout komt in zijn bijdrage aan het themanummer Architectuur en veiligheid van het blad Justitiële Verkenningen (5/2010) op uiterst eloquente wijze zonder blikken of blozen tot de conclusie dat ‘… de Nederlandse naoorlogse wijken voor het grootste deel vrij succesvol zijn gebleken’.

Uit hagiografische tentoonstellingen en boeken, en redeneringen als die van Vanstiphout putten veel landschapsontwerpers en stedenbouwkundigen in Nederland de legitimatie om oplossing voor de problemen in de naoorlogse wijken te blijven zoeken in het versterken van het ontwerp dat in wezen de oorzaak is van de problemen.

Jos Gadet
Hoofdplanoloog gemeente Amsterdam

Lees hier meer blogs van Jos Gadet