Een ode aan het Plaatselijk Belang

| 19 februari 2020

Bijna dagelijks hoor je het. De stad heeft de toekomst. De mantra is dat we op dit schaalniveau op de meest slimme manier de opgaven van onder andere duurzame mobiliteit, energie, gezondheid en inclusiviteit kunnen tackelen.

En terwijl de stad werkt aan een slimme en duurzame toekomst, staat de leefbaarheid van veel kleine kernen en het ommeland in Nederland onder druk door krimp en andere opgaven. We weten al even dat het trickle-down effect van economische groei in de Randstad niet leidt tot economische groei in de rest van het land. Van Hezingen tot Sint Willebrord luiden dorpen en buurtschappen de noodklok. En dit probleem moeten we niet onderschatten. Het aantal landelijke kernen tot 10.000 inwoners bedraagt in Nederland zo’n 1.800. Alleen al in deze kleine kernen woont een vijfde van de Nederlandse bevolking.

‘Zet niet alles op alles om mensen ergens te houden of nieuwe bewoners aan te trekken’

Demografische krimp en de afname van leefbaarheid zijn met elkaar verbonden. Maar, zegt Bettina Bock, hoogleraar inclusieve plattelandsontwikkeling aan de Wageningen University en Research en bijzonder hoogleraar Leefbaarheid Noord-Nederland aan de Rijksuniversiteit Groningen, ‘zet niet alles op alles om mensen ergens te houden of nieuwe bewoners aan te trekken, maar investeer in de leefbaarheid van deze gebieden – nu én in de toekomst – zodat het er prettig wonen, werken en recreëren is’.

Gelukkig beginnen we de leefbaarheid van het platteland steeds meer te waarderen. Architect Rem Koolhaas hield vorig weekend in Buitenhof nog een pleidooi voor de herwaardering van het platteland en noemde daarbij de stadsbewoner geen ‘winnaar’ maar een ‘loser’, die accepteert tegen de hoofdprijs zo dicht op elkaar gepakt te zitten.

Hoewel ik geen voorstander ben om stad en platteland als zodanig te polariseren, kan ik niet anders dan erkennen dat er te veel in de richting van de stad is gekeken ten koste van het platteland. Maar met oplossingsrichtingen komt hij niet.

In Den Haag zijn ze eigenlijk al verder. Vorige week werd bekend dat onder andere de regio Zuidoost-Friesland en de regio Noordoost Brabant vanuit de Regiodeal miljoenen beschikbaar krijgen om de leefbaarheid in de kleine kernen te versterken.

Dit is in het belang van iedereen. Want terwijl de rijksoverheid de lijnen uitzet voor onder meer de regionale energiestrategieën, het versnellen van de woningbouw, klimaatadaptieve maatregelen en de gebiedsgerichte stikstofaanpak, is het met name in het ommeland van de kleine kernen waar deze oplossingen straks moeten gaan landen. Maar gaat dit wel lukken als de leefbaarheid daar nu al onder druk staat?

‘De aandacht voor stad en platteland slingert heen en weer’

Gek genoeg maak ik me hier steeds minder zorgen om. De sterk aanwezige lokale identiteit op het platteland heeft zoveel voordelen. De afgelopen maanden heb ik van dichtbij kunnen zien hoe er in buurtschappen en dorpen door Plaatselijk Belang wordt gewerkt aan het leefbaar houden van de eigen leefomgeving. Vanuit een groot gevoel van verantwoordelijkheid en lokale slagkracht bouwen ze aan toekomstvisies. Ze weten wat er speelt. Er worden plannen gemaakt voor herbestemming en in eigen beheer houden van maatschappelijk en religieus vastgoed, woningen gebouwd voor starters, zorgwoningen ontwikkeld voor ouderen door een lokale stichting, schoolgebouwen opgeknapt en pleinen vergroend. Kortom, Plaatselijk Belang of vergelijkbare samenwerkingsclubs krijgen op het lokale niveau veel voor elkaar en daar mogen we best trots op zijn. Want zonder deze lokale slag- en bestuurskracht is er geen vruchtbare bodem waarop de opgaves van nu en de toekomst kunnen landen.

Voor mensen die een beetje verder kijken dan hun neus lang is, is deze boodschap niet schokkend. De wereld beweegt in slingerbewegingen. Ook de aandacht tussen stad en platteland slingert heen en weer. De meesten in het vakgebied van de gebiedsontwikkeling weten al: het platteland komt weer in trek. En gezien de vele oplossingen voor onze (stedelijke) problemen die daar moeten landen, is dat maar goed ook.

Lisa Olsthoorn

lisa.olsthoorn@overmorgen.nl