Een opblaasbadje

| 20 augustus 2020

Dit is het jaar van de giga-opblaasbadjes. Ze komen in handzame dozen en kosten bijna niks. Eenmaal eruit krijg je ze nooit meer terug in de verpakking. Er moet zoveel lucht in dat er een aggregaat aan te pas moet komen. Daarna begint het vullen met eindeloze hoeveelheden kostelijk leidingwater. Maar dan heb je ook wat. Je kunt kinderen tijdens een hittegolf geen groter plezier doen. Toch spreekt menigeen er schande van.

Verspilling in tijden van klimaatverandering en droogte, decadentie vergelijkbaar met de T-bone steak die vierduizend liter water kost voor hij op ons bord komt etcetera. Onze (tijdelijke) watertekorten en de meer structurele verdroging van natuur en landbouwgebieden, worden al snel in één adem genoemd met grondstoffenschaarste, dreigend wereldvoedseltekort, tanende biodiversiteit en een onhoudbare levensstijl in het algemeen. Dat is jammer, want die badjes in de tuin of op de straat zijn nu juist zo fijn.

Het water raakt nooit op

Er valt ook wel het nodige op de verwerpelijkheid van de badjes af te dingen. Om te beginnen raakt het water nooit op. Er komt door droogte niet minder water op aarde en er komt ook niks bij door de zeespiegelstijging. Open deur, maar toch goed om hem nog eens in te trappen. Het probleem is op wereldschaal een kwestie van beschikbaarheid, kwaliteit en verdeling. Een vraagstuk dat er niet eenvoudiger op wordt door de klimaatverandering en (geo)politieke verhoudingen.

Op die wereldschaal is de landbouw de grootste watergebruiker, maar in ons stukje van Europa wint de industrie met zestig procent, tegen dertig voor de landbouw en tien voor de huishoudens. Dat is alvast een mooi rijtje om te onthouden voor de discussie met de waterbewuste buren, die vast willen dat hun statiegeldflessen en sla met schoon water worden gereinigd. Voorts is de waterkwestie in ons land vooral een opgave voor planologen en ingenieurs, zodra de politiek de urgentie heeft onderkend.

Het is veel te droog op de hoge zandgronden en niet nat genoeg in de veenweidegebieden. Grote delen van Noord-Holland en Friesland doen het nog relatief goed, maar werken wel aan meer bergingscapaciteit en meer vermogen om water in en uit te kunnen laten naar het IJsselmeer en de Wadden. Overal is het devies: vasthouden, bergen en water pas afvoeren als het niet anders kan.

Water is vooral een opgaven voor planologen en ingenieurs

De prominente VROM-veteraan Hans Leeflang herinnerde er onlangs nog maar eens aan dat in de Vierde Nota Extra (1991) al een watersysteembenadering als onderlegger voor plattelandsbeleid werd uitgewerkt. Met onder veel meer een kaart van al het grote water in ons land, de functies van dat water en het meest geëigende landgebruik eromheen. Een update en je bent klaar, tenminste als je terug zou willen naar centrale regie in de ruimtelijke ordening.

Ook de techneuten hebben al veel geopperd dat bruikbaar zou kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan het Plan Lievense. Dit plan, waarin de Markerwaard alsnog gerealiseerd zou worden als windenergieberging in de vorm van een stuwmeer, kan wellicht een tweede leven krijgen met een dubbelfunctie als energieopslag en waterberging.

Het plan dat dijkgraaf Hein Pieper van het Waterschap Rijn en IJssel onlangs opperde is van een andere categorie. Hij pleitte voor een kunstmatig meer op de grens van de Achterhoek en Duitsland of het opheffen van vier kleinere Natura 2000 gebieden in de streek.

Technisch onhaalbaar en door de natuurbeheerders natuurlijk direct afgewezen, maar als politiek signaal toch redelijk geslaagd. En dat is ook wat waard, want daar moet het beginnen. Ondertussen kunnen industrie en landbouw – waar al best wat gebeurt – nog wel wat meer geprikkeld worden om zorgvuldiger met water om te gaan. En u kunt er natuurlijk zelf voor kiezen om geen opblaasbad in de tuin te zetten, maar dan niet zeuren over de buren die het wel doen.

Bas van Horn