Er komen spectaculaire nieuwe beleidsopvattingen aan

| 16 maart 2020

Als de alarmbellen tot nu toe niet hoorbaar waren; nu vallen ze niet meer te negeren. Het EIB heeft dezer dagen de gevolgen van het stikstofprobleem in beeld gebracht. De conclusie: de eerstkomende jaren komen we niet op een nieuwbouwaantal uit van 75.000 woningen per jaar, zoals verwoord in het Woonakkoord, maar op een jaarproductie van ongeveer 55.000 woningen. Het huidige tekort loopt dus heel erg snel verder op.

Op 12 maart jl. kwam ook het CPB met een nieuw onderzoeksresultaat. Het CPB adviseert een palet aan maatregelen om het woningtekort weg te werken. Belangrijk daarbij is het aanbod vergroten. In februari kwam ook de Tweede Kamer al tot die conclusie: er moeten meer nieuwe woningen bij. Volgens de Kamer kan dat alleen als er naast binnenstedelijke locaties ook buitenstedelijke locaties worden voorbereid.

De minister van BZK zegde toe in maart (dit voorjaar) met een aanvullingsbrief op de NOVI te komen die ook gaat over buitenstedelijke locaties. Ingewijden verwachten dat nu voor het eerst serieus naar nieuwe buitenstedelijke locaties zal worden gekeken. Het zou er om gaan dat er ruimte komt om gelijktijdig te werken aan binnen- én buitenstedelijke locaties. Dat zou een belangrijk winstpunt zijn, juist omdat binnenstedelijke locaties vaak traag verlopen. Bij het doorlopen van de Ladder van de duurzame verstedelijking – als die nog gehandhaafd wordt – is bij een locatie aan de rand van de gemeente niet meer de vraag ‘zijn er voor deze woningen ook binnenstedelijke mogelijkheden’, maar ‘zijn die mogelijkheden er op korte termijn’.  

Naar een opgave van 130.000 woningen per jaar voor het hele land

Andere ingewijden verwachten dat de doelstelling van 75.000 nieuwbouwwoningen per jaar in de voorjaars-NOVI-aanvulling zal worden verhoogd naar 90.000 tot 100.000 woningen. Dat zijn nog eens ingrijpende wijzigingen in het denken. Zeker als we zien dat de minister in het Kamerdebat zei van alle provincies op korte termijn lijstjes verwacht met realistische locaties die optellen tot 130 procent van de vraag naar nieuwe woningen. Optellend dus tot 130.000 woningen per jaar voor het hele land.

Hoe dat uitpakt, moet de komende weken nog blijken. En dan is het nog enkel op papier. Maar het moet ergens beginnen. Jarenlang hebben de realisten tegen de beleidsmakers geroepen dat er locaties bij moesten en dat we het niet redden met enkel binnenstedelijk bouwen. De beleidselite hield vol dat we het allemaal prima zouden redden. Nu wordt zichtbaar wat een ellende ze hebben aangericht. Maar goed: nu met z’n allen aan het werk, zou je denken.

Nou, nee. De vertegenwoordigers van die beleidselite zoals lector Cees-Jan Pen en hoogleraar Edwin Buitelaar geven zich nog niet gewonnen. Voor hen moet de ellende blijkbaar eerst nog groter worden. Dat daklozen geen ruimte meer vinden, dat intussen ook in Nederland “woonhopigen” in auto’s overnachten, is voor hen geen aanleiding om hun ongelijk te erkennen. Beide geleerden zetten zich af tegen de prima studie van DenkWerk Klein land, grote keuzen. Een zeer leesbaar en goed onderbouwd document dat aantoont dat we ‘en-en’ aan het werk moeten: in de stad én daarbuiten. Maar neen: de hooggeleerde Buitelaar weet het beter. DenkWerk had volgens hem niet voor het hoogste scenario huishoudensgroei mogen kiezen. Ik zou zeggen: goed en terecht dat ze dat gedaan hebben, en in lijn met de bijstellingen die het CPB in december heeft gedaan. Alle eerdere groei-aannames bleken te laag, al tien jaar lang!

‘Sommige hooggeleerde heren geven zich nog niet gewonnen’

Buitelaar zegt dat DenkWerk ernaast zit als ze beweren dat veel mensen een eengezinswoning buiten de stad willen. Hij ontkent daarmee maar liefst tig achtereenvolgende onderzoeken die om de drie jaar door het departement zijn gedaan (de laatste: WoOn2019). Elke drie jaar blijkt dat een heel groot aandeel van de Nederlanders – niet alleen de gezinnen – graag een eengezinswoning buiten de stad wil. De cijfers bewijzen dat ook. Amsterdam groeit doordat buitenlanders er komen wonen. Grote percentages huishoudens trekken er jaarlijks weg. Zoveel zelfs, dat zonder de instroom van buitenlanders het aantal inwoners zou dalen (zie hoofdstuk 3 van WoOn2019).

Buitelaar noemt verder dat het gebrek aan bouwvakkers ertoe zal leiden dat de productie niet omhooggaat als ook buitenstedelijke locaties aan snee komen. In de praktijk hoor ik intussen diverse bouwbedrijven vertellen dat ze, mede door de PAS-problemen, te weinig productie hebben als gevolg van de enorme dip in projecten. Tot slot zegt hij: op korte termijn zal het ontwikkelen van nieuwe buitenstedelijke locaties niet tot woningen leiden. Er is altijd een jaar of vijf voorbereiding nodig. Daar heeft hij misschien gelijk in, maar daarom had hij er ook vijf jaar geleden voor moeten kiezen. Overigens zijn er ook heel wat mogelijkheden aan de randen, die wel eerder tot bouwen kunnen leiden. Maar 25.000 woningen in Pampus/Almere kost inderdaad wel veel tijd (en veel te veel geld).

‘Urgentie woningbouw voor alles’

Hoe dan ook: in het beleid lijken nu stappen te worden gezet. Nu de uitvoering nog. Wat we nodig hebben is een collectief besef van urgentie dat woningbouw nu voor alles moet gaan. Natuurlijk moeten we verstandig afwegen. Maar niet alles kan prioriteit krijgen. Als het rijk de gewenste stappen zet, zijn provincies, gemeenten, corporaties en ontwikkelaars/bouwers collectief aan zet om die alles overheersende prioriteit voor nieuwbouw handen en voeten te geven. Bij urgentie gaat het ook echt om urgentie. Dus niet nog eens een stapel eisen bovenop het Bouwbesluit en Beng formuleren. Weg daarmee.

Daar komt nog veel bij kijken. Maar als we binnenkort het woningtekort niet tot een half miljoen woningen willen laten oplopen, is er geen andere keuze.

Jos Feijtel, lid van het BZK Expertteam Woningbouw