Floris Alkemade en de geschiedenis van drie wereldsteden

| 6 augustus 2020
Uit: The Economist van 9 juli 2011

De recent op ARTE uitgezonden documentaire Amsterdam, London, New York. Geschichte dreier Weltstädte laat prachtig zien hoe face to face contacten in die steden, meer specifiek in de kroeg, bepalend zijn geweest voor hun economische en daarmee bevolkingsgroei. Variatie, dichtheid en omvang, zichtbaar en voelbaar in herberg, pub of coffee house, leidden tot al dan niet legale informatieoverdracht en kennisuitwisseling met grote ruimtelijk-economische gevolgen. Een schitterende documentaire die in vier afleveringen is terug te zien op Arte (via de Arte-app).

In de vroege jaren van de 20ste eeuw heeft Max Weber al keurig opgeschreven dat de stad en economische dynamiek onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.  The Economist heeft enkele jaren geleden uitvoerig uitgelegd waarom The World goes to town!

‘De stad en economische dynamiek zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden’

Tijdens het bekijken van de Arte serie heb ik meerdere keren aan de afscheidnemende rijksbouwmeester Floris Alkemade gedacht. Op twee aspecten van die gedachten wil ik hier kort ingaan.

De eerste is de anti-stedelijke attitude van de rijksbouwmeester, overigens passend in de traditie van de Nederlandse stedenbouw. In menig interview windt hij geen doekjes om zijn hekel aan de stad. De Groene Amsterdammer: ‘De Rijksbouwmeester is wars van de obsessie met de Randstad en van de zelfgenoegzaamheid van de moderne stedeling. De combinatie rosé-cappuccino is moordend’, zegt hij. ‘Het is de definitie van de hel.’ Duidelijker kun je het niet krijgen.

In zijn eigen geschriften is hij wat omfloerster, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Hij ziet niet veel in verdere verstedelijking en verdichting. ‘De open structuur van de inrichting van ons land biedt ruimte voor perspectieven anders dan verdergaande verstedelijking en verdichting’, schrijft hij samen met Jet Bussemaker. Wat die perspectieven dan zijn, blijft ongewis. Maar we moeten volgens hem wel toe naar polynucleaire structuren, en de periferie, want ‘daar ligt de grote kracht’. Welke?

Zijn afkeer van de stad wordt mede gevoed door zijn idee van de markteconomie. In zijn afscheidsboekje De toekomst van Nederland. De kunst van richting te veranderen spreekt hij heldere taal: ‘Het stelselmatig nastreven van het bedrijfsbelang is de grondslag van de markt’. Fiere stellingname, hopeloze onzin. De grondslag van de markt is immers uitwisseling van vraag naar en aanbod van goederen, kennis, informatie en contacten. En daarvoor heb je stevige steden nodig. Het is zijn eigen onzin die hem drijft naar de vermeende kracht van de periferie.

Alleenwonen wil helemaal niet zeggen dat je ook eenzaam bent’

Het tweede aspect betreft de rol en betekenis van de openbare ruimte. De ontmoetingsfunctie van openbare ruimte staat onder druk, nog eens versterkt door de coronacrisis, aldus Alkemade. Ook hier is de stad een boosdoener. De eenzaamheid in steden neemt volgens hem toe, wat is af te lezen uit het stijgend aantal eenpersoonshuishoudens en de hiermee gepaard gaande aftakeling van sociale verbanden. Maar het aandeel alleenwonenden is sinds ik mijn proefschrift schreef niet veranderd. In 1999 was dat aandeel in Amsterdam 53 procent, en dat is het nog steeds. De stijging in de jaren ’80 was het gevolg van onder andere studiefinanciering, vrouwenemancipatie en anticonceptiepil. Dat aandeel bereikte rond 2000 een nieuw equilibrium. Alleenwonen wil helemaal niet zeggen dat je ook eenzaam bent, zo bleek al in 1999. Sindsdien hebben sociale verbanden weliswaar een andere vorm gekregen (niet altijd buurtgebonden, veel méér sociale contacten buitenshuis), maar afgetakeld zijn ze niet. En dat er meer ouderen eenzaam zijn is een gevolg van het feit dat er meer ouderen zijn. Vereenzaming is een kenmerk van ouder worden.

‘Het aantal sociale contacten in de publieke sfeer is geëxplodeerd’

Een wandeling door de stedelijke openbare ruimte, zelfs in corona-tijden, leert dat het aantal sociale contacten in de publieke sfeer is geëxplodeerd. Dan is het des te meer vreemd dat Alkemade vreest dat na de pandemie ‘ontmoeting niet vanzelfsprekend [is], als we opnieuw te maken krijgen met drukke, digitale en diverse levens’. Niets is echter vanzelfsprekender dan drukke, digitale en diverse levens in combinatie met ontmoetingen in de openbare sfeer! You can’t have one without the other, zong Frank Sinatra ooit.

Van Alkemade is zonder meer een belezen man, heeft een rijkelijke fantasie en schrijft aanstekelijke boekjes. Dat leidt niet zonder meer tot logische redeneringen. Wel tot foute conclusies, zoals dat ‘de opgave van ontmoeting immers bij uitstek een kwestie van verbeelding is’. En nog wel ‘bij uitstek’. Nee, de opgave van ontmoeting is bij uitstek een kwestie van mensen, en indien in compact stedelijke setting leidt dat tot beschaving en innovatie. ARTE maakt ons niks wijs.

Jos Gadet