Gemixte buurten ontwikkelen? Dat is nog niet zo eenvoudig.

| 4 mei 2017

In Nederland is al lang geen sprake meer van woningtekorten, maar van gebrek aan specifieke woonmilieus. Gerard Marlet voorspelde in zijn proefschrift De aantrekkelijke stad dat bij het veranderen van de woningaanbodmarkt naar een woningvraagmarkt, Nederlanders met hun voeten zouden stemmen. Dat deden ze. Zij verkiezen vandaag de dag aantrekkelijke woonmilieus. Die liggen in steden, zo blijkt ook uit het Financieele Dagblad van 2 mei jongstleden.

Aantrekkelijke woonmilieus vandaag de dag zijn wijken die zich kenmerken door functiemix. Deze laten de hoogste m2-prijzen zien: vraag is hoog en/of aanbod is laag. Onder functiemix verstaan we de aanwezigheid van verschillende functies plus een hoge mate van diversiteit binnen die functies. In mijn eigen proefschrift uit de vorige eeuw noemde ik dat fijnmazige bestemmingsdifferentiatie: wonen met werkvoorzieningen op loop- of fietsafstand, een rijke voorzieningenmix om de hoek (scholen, kinderopvang, horeca, parken), bedrijvigheid (‘schone’ bedrijven en ‘nieuwe’ kantoren). Stedelijk georiënteerde huishoudens, zo bleek uit mijn onderzoek, prefereerden die mix.

Die stedelijk georiënteerde huishoudens waren in omvang niet te vergelijken met de huidige aantallen. Die zijn enorm, maar nog steeds gericht op nabijheid van verschillende functies. De Duitse geograaf Klaus Brake wijst erop dat nabijheid inmiddels het belangrijkste, ruimtelijk, ordenend principe is geworden. Hij wordt daarbij ondersteund door economen waaronder onze eigen Henri de Groot van de Vrije Universiteit van Amsterdam. Steden zijn immers de motoren van de economie geworden.

De sinds mijn onderzoek flink gegroeide aantallen stedelijk georiënteerde huishoudens kunnen binnen de huidige economische constellatie alleen maar opereren in omgevingen waar verschillende contacten mogelijk zijn en snel gelegd kunnen worden, waar werk continue zelf gemaakt moet worden (‘verzekerde banen voor het leven’ verdampen), waar alertheid op veranderingen in economische bewegingen bittere noodzaak is, waar ondersteunende voorzieningen ‘om de hoek’ onmisbaar zijn. De buurt is niet meer alleen woonbuurt, maar ook workshop, plek voor vrijetijd, retraite, geëxternaliseerde zorgfuncties (school, kinderopvang) en ‘home’ tegelijk. Buurten zijn meer dan vroeger alomvattende productiemilieus, omgevingen met vele opties in een verdichte en diverse setting (de Optionsräume van Brake).

Impressie functiemix vooroorlogs Amsterdam.

Impressie functiemix vooroorlogs Amsterdam.

Dus? Gemixte buurten ontwikkelen. Maar dat is nog niet zo eenvoudig. Daarvoor zijn verschillende redenen aan te voeren. Ten eerste is er in Nederland betrekkelijk weinig stedelijk weefsel dat zich leent voor functiemix. Of we het nu hebben over de middeleeuwse, de 17eeuwse of de 19e eeuwse stad, bij alle typen was nabijheid geen principe, dan toch wel noodzaak. Alle stedelijke functies waren dicht opeengepakt in een stedelijk weefsel waar dit ook mogelijk was.

Maar vooroorlogse stadsdelen zijn in omvang schaars, en in de huidige economie zó gewild, dat de functies strijden om voorrang. Jane Jacobs sprak al van “the self-destruction of diversity by succes”. De competitie om het schaarse goed is zo sterk dat alleen de machtigste zal zegevieren. Wonen levert momenteel zoveel op dat de woonfunctie in de Nederlandse binnensteden andere functies verdringt. Woningen, Airbnb en hotels zijn dermate winstgevend dat daar niet tegenop te boksen is. Kleinschalige bedrijfspanden verdwijnen als sneeuw voor de zon, want worden legaal dan wel illegaal omgezet naar woningen. In Amsterdam vallen te transformeren kantoren massaal ten prooi aan hotel- en woningontwikkelaars.

Ten tweede kampen we met de erfenis van de naoorlogse stadsontwikkeling die zich kenmerkt door functiescheiding. Los van het feit dat het fysiek moeilijk is deze plekken te transformeren tot functiemix, lopen er nog steeds architectuurhistorici rond die elke na de oorlog gelegde steen tot erfgoed laten verklaren. Dan wordt het ook nog eens juridisch lastig deze plekken te herstructureren.

Vervolgens hebben we in de jaren ’90 van de vorige eeuw onder het mom van schaalvergroting alle onderwijsinstellingen de stad uit gejaagd. We hebben er nu spijt van als haren op ons hoofd, maar probeer die molochs maar weer eens in een fijnmazig gemengde structuur onder te brengen. Hetzelfde geldt voor ziekenhuizen.

En passant hebben we met onze Tweede, Derde en Vierde Nota Ruimtelijke Ordening er alles aan gedaan om de steden hun broodnodige massa te onthouden. En zonder massa geen omvangrijke voorzieningenmix. Overloop, gebundelde deconcentratie, groeikernen, vinex. Prachtige termen voor uiteindelijk rampzalig beleid.

Maar mensen en hun overlevingsdrang laten zich niet zo gemakkelijk inperken. Gentrifiers (ook de marginal gentrifiers), creatievelingen, kenniswerkers, horeca vernieuwers, start-ups, dienstverleners en andere vele sociale en economische groeperingen die de stad nodig hebben, en die de stad op haar beurt nodig heeft, zoeken hun weg, timmeren een extra entresol in hun woning, kruipen met anderen op minder m2, organiseren co-working spaces en ontmoeten elkaar in parken, op stoep of terras. Deze nieuwe stedelingen worden vervolgens als hipsters of elite de les gelezen in de lokale en nationale kranten, want ‘zij nemen ons de stad af’.

Natuurlijk nemen stedelingen ons de stad niet af. Zij vormen immers de stad. Nee, de stad is ons afgenomen door de modernistische stedenbouwers, door de naoorlogse rijksplanologen, door de anti-stedelijke woningbouwontwikkelaars, door de calculerende schaalvergroters, door ministers van asfalt, door populistische journalisten en door angstige bestuurders. En allemaal nog in charge!

Dus: gemixte buurten ontwikkelen? Dat is nog niet zo eenvoudig.

Jos Gadet
Hoofdplanoloog gemeente Amsterdam

Lees hier meer blogs van Jos Gadet