Goede bedoelingen in de publieke ruimte

| 8 januari 2020

Bij de ingang van mijn wijk staat een lichtkrant op een aanhangwagentje. Mij wordt door de politie aangeraden de ramen te sluiten en het licht te laten branden. ‘Geef inbrekers geen kans!’ Daarna volgt de tekst: ‘ziet u iets verdachts? Bel 112!’

Misschien is er een inbraakgolf die mij ontgaan is of zijn we het slachtoffer van postcodeprofilering. Goed voor mijn gevoel van veiligheid of de prijs van mijn huis is het zeker niet. En zo zijn er meer goede bedoelingen in de openbare ruimte waarover we het eens moeten hebben. Over het hinderen of bedreigen van hulpverleners bijvoorbeeld.

Het is inmiddels een vertrouwd ritueel. De jaarwisseling verloopt onrustig en burgemeesters, politiechefs en brandweercommandanten spreken met heilige verontwaardiging hun onaanvaardbaar uit: ‘Van hulpverleners blijf je af!’ Slechts zelden komt ter sprake dat die handhavers en hulpverleners met hun goede bedoelingen niet altijd even tactvol de context benaderen waarin ze moeten handelen.

‘Zelden komt ter sprake dat handhavers niet altijd tactvol de context benaderen’

De buurtbewoner die is opgegroeid met een kerstbomenfik op het kruispunt tijdens oudjaar, is mogelijk niet enthousiast als de brandweer vroegtijdig komt blussen. Waar de ambulancebroeder zich bedreigd voelt, had hij zich soms ook aangemoedigd kunnen voelen. ‘En je zorgt dat hij het haalt, hoor je me?’ De een hoort een bedreiging, de ander bezorgdheid om het slachtoffer.

En dan de politie. ‘Alles wat je in je hebt. Maak er politiewerk van’, is de slagzin van de jongste wervingscampagne. Het gaat daarin niet over wetskennis of kantoorwerk, maar uitsluitend over actie, intuïtie en flexibiliteit. Wat mij betreft had daar ook sociale intelligentie bij gemogen, want daaraan is een schreeuwend gebrek.

Ik stond er zelf bij toen twee agenten opgeroepen waren voor een amok makende, verwarde vrouw. Het was duidelijk dat ze in aanraking geruststelling en troost zocht. Het had de situatie kunnen de-escaleren. In plaats daarvan deden de agenten een stap achteruit en riepen paniekerig: ‘Raak me niet aan!’

Ten slotte nog de schiet- en steekincidenten onder jongeren. Misschien moeten we het ook eens hebben over het effect van de goedbedoelde stille tochten en spontane herdenkingen na dit soort tragische voorvallen. Natuurlijk is er in de eerste plaats het verdriet van de nabestaanden en de steun die gevoeld wordt in het samenkomen. Het ‘why?’ is meestal best te beantwoorden, maar de banaliteit van het antwoord blijft onbevattelijk.

De stille tocht, de bijeenkomst of de spontaan ingerichte gedenkplaats is een uiting van gedeeld verdriet, verbondenheid en protest tegen geweld. Het is ook een eerbetoon aan het slachtoffer – en dat gaat gepaard met rituelen. Dat kunnen witte ballonnen en knuffels zijn, maar ook grafkaarsen en plengoffers met sterke drank op de plaats delict. Bedoeld of onbedoeld sluipt er al snel benderomantiek in het gedenken. Dan wordt de dood op straat een podium.

In Drachten was het vast onbedoeld en het is goed dat jongeren hun eigen woorden kiezen. Toch kreeg de verwijzing naar de lange doodsstrijd van Roan Brilstra op het spandoek aan de kop van de stille tocht iets heroïsch dat vreemd contrasteerde met het lieveheersbeestje van het initiatief ‘Stop zinloos geweld’.

Bas van Horn