Groenvisies in stedelijk Nederland

| 5 september 2019
Zonnebaden aan de Amstel. Stad, stedeling en groen raken met elkaar verstrengeld. Een verdichte stad kan niet zonder groen, en (gebruiks)groen kan niet zonder een verdichte stad.
Beeld Jos Gadet

Groen is allang niet meer de sluitpost die het in vorige decennia was. Natuurlijk is het altijd moeilijk financiering te vinden, maar aan het belang van groen in de stad wordt door de meeste stedelijke overheden niet meer getwijfeld. Dat komt vooral door de turbulente meteorologische ontwikkelingen en de bestuurlijke zowel als rechtsprekende aandacht voor regulering van de CO2– en andere uitstoot.

Ik heb recentelijk een paar groenvisies en groenstructuurplannen van verschillende steden doorgebladerd en geconstateerd dat de pijlers van het moderne groenbeleid bestaan uit klimaatadaptatie, biodiversiteit, gezondheid en natuureducatie. En daar is niks mis mee.

Maar door al deze terechte aandacht lijkt een belangrijke pijler in vergetelheid te zijn verzonken, namelijk de ongekende groei van het bezoek aan en gebruik van groene plekken in de stad voor vermaak, ontmoeting, interactie en uitruil van ideeën en goederen.

We hebben in Amsterdam sinds 1996 vier zogenaamde Grote Groenonderzoeken gehouden. Dit zijn onderzoeken onder een representatieve steekproef van Amsterdammers naar het gebruik in al zijn facetten van parken, recreatiegebieden rond Amsterdam en het woonomgevingsgroen.

Een korte samenvatting. In 1996 constateerden we dat, in tegenstelling tot de verwachtingen en beleidsdoelstellingen, het bezoek aan recreatiegebieden rond de stad ver achter bleef bij het gebruik van parken. We concludeerden dat er wel degelijk een complementaire relatie tussen deze twee typen bestond, en dat cultuurhistorische landschappen het ‘beter’ deden dan de specifiek voor recreatie aangelegde gebieden uit de jaren ’70 van de vorige eeuw.

’Vooral vooroorlogse parken blijken steeds populairder’

In 2008 werden we compleet verrast door de explosieve groei die het bezoek aan parken sindsdien had doorgemaakt. Het Vondelpark bijvoorbeeld werd zes keer zo vaak bezocht als bij de vorige meting. Ook het bezoek aan recreatiegebieden groeide, maar minder sterk. Het woonomgevingsgroen liet geen noemenswaardige verandering zien. Het complementaire karakter tussen de parken en recreatiegebieden werd scherper, maar ook werd de kloof tussen cultuurhistorische landschappen en de ‘traditionele’ recreatiegebieden breder.

Ook in 2013 zette de groei van het bezoek aan parken door, zij het minder explosief, en werd opeens een verschil zichtbaar tussen de parken in de vooroorlogse respectievelijk de naoorlogse parken. Het bezoek aan de laatste stabiliseerde of daalde licht. Verrassend was bovendien dat het bezoek aan de ‘traditionele’ recreatiegebieden daalde, terwijl dat aan de cultuurhistorische landschappen flink steeg. Op basis van onderzoeken in het buitenland verklaarden we dit door krimpende tijd-ruimtebudgetten van stedelijke huishoudens en door de digitale connectiviteit. Hoge aantallen digitale sociale contacten bleken tot meer face to face contacten te leiden. Dit laatste kan alleen als er sprake is van ruimtelijke contractie. Je moet wel bij elkaar in de buurt wonen om elkaar regelmatig te zien. Voeg daarbij de door Jane Jacobs ontdekte wetmatigheid dat activity is an attraction in itself, plus het gegeven dat door de smartphones men binnen enkele seconden weet waar ‘het gebeurt’, en de verklaring voor cumulatie van gebruikers in de vooroorlogse parken is gegeven.

Afstand en [on)bereikbaarheid beperken bezoek aan recreatieparken

In 2019 zien we dat bovenstaande trends zich stevig hebben doorgezet. Vooroorlogse parken lijken verzadigd, en de meest nabijgelegen parken profiteren van de overloop van de ‘volle’ parken. De neergang van recreatiegebieden wat betreft bezoekende Amsterdammers zet verder door. Duidelijk wordt nu dat de belangrijkste redenen om niet naar die recreatiegebieden te trekken de afstand (‘te ver’) en (on)bereikbaarheid zijn. Het in 2013 voorzichtig geconstateerde nabijheidseffect komt nu vol in beeld, en wordt versterkt doordat de toename van het gebruik het grootst is bij het woonomgevingsgroen.

Kortom: het gebruik van groen neemt sinds 1996 met name binnen de bebouwde kom toe; het nabijheidseffect wordt steeds sterker; het woonomgevingsgroen kent een gebruiksintensiteit die sterker is dan ooit. Vergeten te melden dat de waardering voor zowel parken als recreatiegebieden over de jaren steeds zijn gestegen. Ook het (economisch) belang dat nieuwe bewoners en bedrijven hechten aan (gebruiks)groen in de buurt wordt keer op keer manifester. De activiteitenprofielen in de verschillende groengebieden worden breder (waaronder het uitwisselen van kennis, informatie en goederen), het gezelschap waarmee men groengebieden bezoekt wordt diverser (nu eens familievader, dan weer werkrelatie, sporter, vriend enz.), de momenten waarop men het groen bezoekt spreiden zich meer en meer over dag, week en seizoen.

Stad, stedeling en groen raken met elkaar verstrengeld. Een verdichte stad kan niet zonder groen, en (gebruiks)groen kan niet zonder een verdichte stad. Bovendien blijken groene ontmoetingsplekken onlosmakelijk verbonden met de (kennis)stad.

Jos Gadet