Het boerenleven

| 9 november 2017

We hebben weer een minister van landbouw. Een boerendochter die weet wat het is om met het hele gezin een boerenbedrijf draaiende te houden. Een vrouw die weet dat boer zijn geen beroep is maar een levensstijl, het boerenleven. Precies alles waar we vanaf moeten. Dat we er nog niet af zijn is de schuld van de boeren, maar ook van de natuur- en milieuorganisaties en de politiek. Ze doen geen van allen iets aan de spanning tussen de Idylle van het Landleven, de eisen van hun belang en een moderne samenleving.

Dat van die boerengezinnen is lang geleden. Inmiddels boeren agrarische ondernemers per computer op meerdere boerderijen tegelijk en inspecteren het land met een drone. De loonwerker krijgt vanzelf een seintje waar hij aan de slag moet. De kinderen doen allang wat anders. Het is bikkelen voor de eenzame hightech boer, want we zijn dan de tweede landbouwexporteur ter wereld, het aandeel bbp is maar 1.5%.

De boerenwoningen en schuren staan ondertussen leeg, verkrotten, doen dienst als opslag of wietkwekerij, want het ombouwen van het erf tot kleine woonkern stuit nog altijd op bezwaren. Omdat het onverantwoord is met stank en lawaai (en als klagende burgerbewoners hun zin krijgen, kun je als boer helemaal wel inpakken), omdat de wegen en leidingen het niet aan zouden kunnen en gewoon omdat het niet hoort.

Toch houdt de boer zich stil als de supermarkt en de zuivelgigant zijn knollen voor citroenen verkopen met plaatjes van gelukkige koeien, dartelende varkens en ‘lieve-boeren-met-een-naam’. Die consumentenmeerwaarde is ook zijn vaak krappe marge. Met schoolplaten van Jetses worden de producten van een praktijk verkocht die al een halve eeuw geleden werd gerationaliseerd, ruilverkaveld en rechtgetrokken. Met alle gevolgen voor het landschap en de waterhuishouding van dien.

Enfin, dat weten we allemaal wel. Ook dat natuur- en milieumensen daar vaak over klagen. Omdat ze echt duurzaam, kleinschalig, keuterboerig en gezellig gegroeide groenten en zo min mogelijk zuivel en vlees willen dat dan ook best een beetje duur mag zijn.

Dat is eigenlijk gek, want weinig intensieve grondgebonden landbouw is niet zo duurzaam. Het helpt niet om straks negen tot tien miljard wereldburgers te voeden, het doet niks aan verantwoord opvangen van broeikasuitstoot of de groeiende vraag naar zuivel en vlees uit de ontwikkelende wereld (daar helpt geen VN-jaar van de peulvrucht wat aan), het levert geen gezondere producten, biedt geen ruimte voor extra natuur. Dus ook niet voor een omgeving waar werkelijk ruimte is voor biodiversiteit van plantjes en insecten tot bomen en wilde beesten.

Het zou dus veel logischer zijn wanneer duurzaamheid een pleidooi was voor intensieve, niet-grondgebonden agrarische productie onder diervriendelijke, gezonde en gecontroleerde omstandigheden. Een oproep voor ruimtebesparing en meer natuur!

Maar dit gaat niet over logica. Dit gaat over een diepgevoeld cultuurpessimistisch sentiment dat alles sinds de stoommachine achteruit heeft zien gaan in onze wereld. Niet voor niks lopen ze bij Baudet, maar ook bij Buma weer weg met Spengler’s Ondergang van het Avondland en moet het van veel linksdraaienden weer zûnig met alleen vlees op zondag.

Een sentiment dat niks wil weten van feiten over minder oorlog, minder honger per wereldburger, meer onderwijs en betere gezondheidszorg. Een wereldbeeld dat zijn bevestiging vindt in ‘verrommeling’ en ‘verstening’ van het landschap. Dat houvast zoekt bij de vaste waarde van een platteland dat gevormd werd door de landbouw en het boerenleven.

Die behoefte aan herkenning in het landschap is heel begrijpelijk. Een ‘vreemde in je eigen buurt’ zijn is voor veel mensen al erg genoeg. Maar het instandhouden van een ruimtelijke inrichting die is toegesneden op een samenleving die niet meer bestaat, is kitsch.

Als we willen komen tot een nationale identiteit, en die herkenbaar maken in onze leefomgeving, dan moeten we snappen hoe we tegenwoordig leven en ons geld verdienen. Dan vinden we daar nieuwe iconen voor. Dan zijn landbouw en veeteelt voortaan industrie, ook ruimtelijk. Dan zijn specifieke delen van het platteland cultureel erfgoed en beschermd, dan wonen we in de stad of groen op voormalig boerenland en geven we de ruimte aan natuur, zee en rivieren.

Maar dat doen we nu dus allemaal nog even niet. Nu hebben we eerst nog een minister van landbouw. Een boerendochter die trots is dat boer zijn niet alleen in je hoofd en je handen zit, maar ook in je hart.

Bas van Horn