Het opstuivende zand van de Atlas voor Gemeenten

| 22 juni 2016
Jos Gadet

Jos Gadet

Altijd weer een mooi moment in het jaar, het uitkomen van de Atlas voor Gemeenten. Enerzijds omdat de dynamiek in stedelijk Nederland op een kwantitatieve manier geüpdatet wordt, anderzijds omdat het smikkelen is bij de reacties in de publieke media op de meest recente Atlas. Marlet en consorten hebben al heel wat te stellen gehad met burgervaders van gemeenten die er op de een of andere manier bekaaid vanaf kwamen.

Almere en Hilversum hadden behoorlijk wat te mekkeren op de analyses in eerdere edities, nu reageerde Emmen uiterst verontwaardigd. Emmens locoburgemeester Bouke Arends vindt de criteria die in de Atlas gehanteerd worden volstrekt subjectief (NRC Handelsblad 16 juni j.l.).

Onzin natuurlijk. De in mijn ogen belangrijkste variabele (de bereikbaarheid van banen) wordt in elk respectabel buitenlands onderzoek over aantrekkelijkheid van steden genoemd, evenals de kwaliteit van parken en voorzieningenniveau. Kortom, de reactie van Arends is die van een kat in het nauw.

De kwaliteiten die de loco noemt vormen juist een onderbouwing voor de resultaten zoals die in de Atlas geformuleerd zijn. “Emmen heeft geen files!”. Waarom niet? “Er worden minder kinderen geboren!”. Hoe kan dat? “Dacht je de IS hier ooit een aanslag zou plegen?”. Denk het ook niet, nee! In Emmen is “rust en ruimte”. In Londen inderdaad ietsje minder. In Emmen vinden ze Estland saai. Dan denk ik toch dat men Tallinn heeft overgeslagen.

In plaats van en de kramp te schieten zouden lokale bestuurders de analyses serieuzer moeten nemen in naar passende oplossingen kunnen zoeken. Ik ben redelijk bekend met de grotere Limburgse steden en weet dat de banenbereikbaarheid daar zeer te wensen over laat. Ja maar, is de reactie, in de Atlas worden de buitenlandse banen niet meegenomen.

Dat heeft Gerard Marlet in een aantal presentaties die ik heb bijgewoond wel gedaan, en hij kwam inderdaad tot de conclusie dat als je de grenzen weg denkt, de banenbereikbaarheid in Zuidoost Nederland inderdaad veel beter wordt (wat overigens niet voor het Noordoosten geldt). Maar, die grenzen met onder andere hun administratieve beperkingen, taalbarrières, infrastructureel autisme (NS kijkt weg, Duitse nationale overheid vindt het onbelangrijk) en onwetendheid, zijn er de oorzaak van dat die in potentie betere banenmarkt niet ‘geconsumeerd’ wordt. Mensen gaan simpelweg die grens amper over. Drüben blijft dan ver weg!

Euregionale steden moeten hun contacten, relaties en verbindingen met steden in het buitenland verstevigen. Ik heb eerder al eens gesteld dat Heerlen zich als voorstad van booming Aken zou moeten profileren en ontwikkelen.
Gelukkig komt er eindelijk een deugdelijke treinverbinding tussen Aken, Heerlen, Maastricht en Luik (geëxploiteerd door Arriva, niet NS). Dat heeft flink wat lobbywerk van gemeenten, provincie en rijk gekost. Maar dat gaat zich dan ook uitbetalen, mits flankerend beleid wordt ontwikkeld  (waaronder het wegwerken van administratieve beperkingen en het verbeteren van Duits- en Franstalig onderwijs).

Ik realiseer me terdege dat zich voor Emmen een soortgelijk perspectief niet voordoet, wat de sociaaleconomische situatie daar nog pregnanter maakt en de hulpeloze kreten van bestuurders en bewoners van het stadje invoelbaar. Wat moeten we met soortgelijke gemeenten? Moeilijk, maar er valt iets te zeggen voor Edward Glaesers advies niet te investeren in kansloze plekken maar wel te investeren in de achterblijvende bewoners. Dat kan op vele manieren (zie Triumph of the City 2011).

De kop in het zand steken is niet kenmerkend voor de ‘verliezers’ uit de Atlas. Dat geldt ook voor de triomferende steden. In de Atlas voor Gemeenten 2016 wordt nadrukkelijk gewaarschuwd voor de nadelige effecten van ruimtelijke segregatie in de succesvolle steden van vandaag. Deze effecten kunnen sociaaleconomische groei afremmen. Met alle gevolgen van dien.

In het verleden hebben niet alleen bestuurders van grote steden, maar ook hooggeleerde academici, deze dreiging gebagatelliseerd. Het gevolg blijkt een gestage toename van die ruimtelijke en daarmee sociaaleconomische segregatie. Sommige ‘probleemwijken’ worden probleemcumulatiegebieden. Die zijn ondanks waarschuwingen tientallen jaren geleden, ook in de grote Nederlandse steden zichtbaar.

Ruimtelijke ordenaars speelden een rol in de fysieke oorzaken van sociaaleconomisch isolement, maar kunnen gelukkig ook van grote invloed zijn op het verbeteren van de ruimtelijke condities voor sociaaleconomische participatie. Ik heb daarover al meerdere malen geschreven, en voor wie er in geïnteresseerd is verwijs ik naar mijn publicatie Terug naar de stad (2011) en eerdere bijdragen aan dit vakblad.

Mijn punt in dit betoog is dat de Atlas steeds voor opstuivend zand zorgt, maar dat als de stofwolk verdwenen is, we de analyses achter de rankings uiterst serieus moeten nemen. De Atlas voor Gemeenten is een onmisbare monitor in het ontwikkelen van ruimtelijk-economisch beleid.

Jos Gadet
Hoofdplanoloog gemeente Amsterdam

Klik hier voor meer blogs van Jos Gadet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *