Kleine ontmoetingen in de openbare ruimte

| 24 maart 2020

Wat we sinds enkele dagen beslist moeten doen is social distancing! Laat dat nou net iets zijn wat mensen maar moeilijk kunnen. We zochten met zijn allen de randjes van het decreet op. Toch een moment lucht happen en, zij het op afstand, mensen zien. Zeker, men hield in de meeste gevallen gepast afstand. Soms drie meter, maar in de meest gevallen toch nét die anderhalve meter. Niet gek overigens: nabijheid van mensen is voor mensen een voorwaarde voor (aangenaam) leven.

Nabijheid wordt, ook als we corona buiten beschouwing laten, steeds belangrijker. De Duitse geograaf Klaus Brake, over wie ik hier regelmatig de loftrompet heb gestoken, wijst ons erop dat in de huidige kenniseconomie nabijheid het (ruimtelijk) ordenend principe is. Stedelingen kunnen alleen maar opereren in omgevingen waar verschillende contacten mogelijk zijn en snel gelegd kunnen worden, waar werk continu zelf gemaakt moet worden omdat  ‘verzekerde banen voor het leven’ verdampen, waar alertheid op veranderingen in economische bewegingen bittere noodzaak is, waar ondersteunende voorzieningen ‘om de hoek’ onmisbaar zijn. De buurt is niet meer alleen een woonbuurt, maar ook de plek voor werk, vrije tijd, retraite, zorgfuncties (school, kinderopvang) en ‘home’ tegelijk. Brake beschrijft de noodzaak van buurten als Optionsräume, plekken waar verschillende opties zich aan de buurtbewoners presenteren.

‘Buurten waar kleine ontmoetingen kunnen plaatsvinden zijn buurten waar bewoners zich graag mee identificeren’

Simcha Goudsmit, een jonge geografe bij de Gemeente Amsterdam, wees me er recent op dat buurten plekken moeten zijn van kleine ontmoetingen (met de kassière bij de supermarkt, de fietsenmaker om de hoek, de haringman op het plein). Buurten waar kleine ontmoetingen kunnen plaatsvinden zijn buurten waar bewoners zich graag mee identificeren, waar ze zich gelukkig voelen, waar ze trots op zijn, waar ze willen ‘wortelen’. En het zijn ook buurten waar je direct kunt ‘opstappen’ in de emancipatiemachine die de stad is. Haar zorg is of buurten nog wel die functie vervullen.

Die zorg is terecht, want de buurt (de directe woonomgeving) staat in Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog onder druk. Vlak na de oorlog zagen Nederlandse geografen een afname van het belang van de directe woonomgeving voor stadsbewoners. Zij wezen op twee elkaar versterkende oorzaken. De eerste is contractie: door welvaartstijging (tv, koelkast) kan een deel van de vrijetijd binnenshuis worden doorgebracht en nam dientengevolge de privacy-gevoeligheid toe. Een groeiende behoefte aan privé leven werd in de besloten sfeer van het huishouden in de eigen woning doorgebracht.

Diezelfde welvaartstijging had ook uitwaaiering tot gevolg: stijgende inkomens maakten het geregeld gebruik van publieke attracties in het stadscentrum mogelijk, terwijl het bezit van de auto arbeid op grotere afstand binnen bereik bracht. Bijgevolg verwerd de directe woonomgeving tot een ijle buurt. Kortom, stadsbewoners hechtten in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw weinig betekenis meer aan territoriale binding (met de buurt).

‘Nu dreigt er een derde verstoring van de buurt als Optionsraum en plek van kleine ontmoetingen: de global city’

Dat werd versterkt door het stedenbouwkundige dogma van functiescheiding dat in die tijd tot volle wasdom kwam. De compositie van de nieuwe stadsdelen was er een van functiescheiding, van (te) veel groene ruimte, van concentratie van voorzieningen in winkelcentra die met de auto bezocht werden. De afkalving van territoriale binding werd hierdoor versterkt en versneld. Buurten worden monofunctioneel en monotoon; tot op de dag van vandaag kenmerkend voor de naoorlogse uitbreidingsgebieden.

Gebundelde deconcentratie van de jaren zeventig kan gezien worden als de schaalsprong van dit functionalisme, vinexlocaties als het voorlopige sluitstuk van die naoorlogse stedenbouwkundige trend. Met Angst und Bange kijk ik naar de nieuwe golf ‘bouwen in het weiland’.

Nu dreigt er een derde verstoring van de buurt als Optionsraum en plek van kleine ontmoetingen: de global city. Let wel: in de huidige (macro)economische realiteit is de upscaling van de grote steden toe te juichen. Dat betekent nieuwe banen, kennis en producten (ook in de laaggeschoolde sectoren), zeer lage werkloosheid, verankering van de stad in stedelijke internationale netwerken. Een voor buurten belangrijk gevolg van globalisering, gentrification, is doorgaans een zegen.

Toch kunnen deze veranderingen op specifiek plekken voor sommigen op individueel niveau wel degelijk ontwrichtend werken. Ten eerste zijn er de buurten, meestal de naoorlogse buurten, waaraan de globalisering voorbij gaat. In een onthutsend artikel in de Volkskrant van 5 maart jongstleden over de Venserpolder wordt gesproken van ‘weggestopte wijken’. De fysieke inrichting en programmering van de (openbare) ruimte trekt geen gentrifiers aan, waardoor wijken in armoede vervallen met alle sociaaleconomische gevolgen van dien. Bewoners vervreemden van hun buurt en keren die de rug toe.

Ten tweede is er de luxe variant van het de buurt de rug toekeren. Door ‘overtoerisme’, Airbnb-uitwassen, short stay van expats en buitenlandse studenten, en bijgevolg verengelsing van het publieke domein, vervreemden bewoners van hun voorheen vertrouwde en nu overspoelde buurt.

In beide gevallen (géén gentrificatie versus “overgentrificatie’’, leegte versus drukte) voelen bewoners zich niet meer thuis in hun eigen buurt, ontwikkelen buurten zich niet tot Optionsräume en blijven kleine ontmoetingen achterwege.

Voor de bouwopgave moeten we niet alleen woningen, maar woonomgevingen maken

De tijden zijn op dit ogenblik vervreemdend. Maar toch, deze pandemie gaat voorbij. En laten we hopen dat we dan nog steeds die immense bouwopgave hebben. Dan moeten we niet alleen woningen, maar woonomgevingen maken. Want na de oorlog hebben we nagelaten buurten te bouwen.  Zijn we dat verleerd?

We kunnen ons, Brake en Goudsmit indachtig, geen failure of planning veroorloven. Hoe kunnen we als ruimtelijke ordenaars ingrijpen om bewoners zich weer thuis te laten voelen in hun eigen buurt, opdat ze hun buurt niet de rug toekeren? Welke ruimtelijke condities liggen ten grondslag aan de benodigde Optionsräume. Welke programmering nodigt uit tot kleine ontmoetingen?

Het zijn belangrijke vragen voor de ruimtelijke ordening. Vragen die geografen, planologen en stedenbouwkundigen moeten beantwoorden. Met de nieuwe bouwlocaties, de transformatie van bedrijventerreinen, de revitalisering van weggestopte wijken in naoorlogse uitbreidingsgebieden en het behouden van de leefbaarheid van overspoelde buurten voor de boeg, dringt de tijd.

Ondanks social distancing is nabijheid van bewoners en voorzieningen ook in tijden van corona cruciaal’

Ondanks social distancing is nabijheid van bewoners en voorzieningen ook in tijden van corona cruciaal. Hierin onderscheidt de stad zich van het platteland, aldus de beroemde stadssocioloog Richard Sennett in een interview in Der Tagesspiegel van afgelopen vrijdag over de effecten van corona op het publieke domein: “Op het platteland dreigt eenvoudigweg een groter isolement”.

Jos Gadet