Koolhaas en de teloorgang van het platteland

| 19 februari 2020

Het anti-stad denken heeft er een protagonist bij: niemand minder dan de Nederlandse sterarchitect Rem Koolhaas. Hij hield in Buitenhof van afgelopen zondag een niet heel gemakkelijk te volgen verhaal over de teloorgang en verandering van het platteland. Met dat platteland is iets aan de hand, dat zeker. Maar het discours onderbouwen door stedelingen te omschrijven als losers en plattelanders als winners omdat stedelingen zo dom zijn dicht op elkaar te kruipen, zegt vooral iets over het mensbeeld van Koolhaas en andere modernisten. Dat mensbeeld is niet fraai.

Ik schreef eerder al dat Le Corbusier de inwoners van zijn stedenbouwkundige ontwerpen minachtte. De ‘Nieuwe Mens’ moest en zou zich gedragen zoals het de grote bouwmeester behaagde, niet alleen in werktijd, ook in de vrijetijd (Terug naar de stad). Geldt dat niet ook voor Koolhaas, afgaande op zijn statement? Dat zou niet alleen inhumaan zijn, het is in onze (westerse) tijden met optimale keuzevrijheid en keuzemogelijkheden onwerkbaar, frustrerend en uitermate remmend.

Grootheden die voorbijgaan aan de basale motieven achter menselijk gedrag

Het mensbeeld zegt ook iets over de realiteitszin van deze grootheden, want ze gaan immers geheel voorbij aan de basale sociale en economische motieven die ten grondslag liggen aan menselijk gedrag. Onze drijfveren zijn het zorgen voor nageslacht en overleven om die zorg zo goed mogelijk te laten verlopen. Daarvoor hebben we andere mensen nodig én werk. Sandra Heerma van Voss zei het ooit heel mooi: ‘Een gevuld hart en een gevulde dagindeling, dat lijkt nog altijd het recept voor een aangenaam leven. Als die ontbreken ligt frustratie op de loer’. Essentieel hierbij is dat zowel in de biologie als in de economie diversiteit een bewezen en noodzakelijk voorwaarde is voor succes. Het gezondste nageslacht komt voort uit een gevarieerde populatie, economische innovaties en banengroei ontstaan in een milieu waar veel en verschillende ideeën tegen elkaar opbotsen. Dus: in de stad moet je zijn. Zijn stedelingen dan losers? Flauwekul natuurlijk.

Door zijn mensbeeld en gebrek aan realiteitszin heeft Koolhaas zich al eens eerder weergaloos vergaloppeerd door in de jaren negentig de openbare ruimte dood te verklaren. Door de digitalisering van de samenleving zouden steden ontvolken, want iedereen wil in een hutje op de hei wonen, en face to face contacten in de openbare ruimte zouden overbodig worden. Dat bleek uiteindelijk toch bitter tegen te vallen. Kortom, Koolhaas kakelt als een dwalend orakel.

Waarom de stad zo in trek is

In geografische termen: de stad is in trek omdat het aanbod van banen groot en veelzijdig is, de kans op interactie omvangrijk en gevarieerd is, en het groeiende cultureel kapitaal op velerlei wijzen kan worden verzilverd. Het platteland stroomt in rap tempo leeg. Een recente wandeling door mijn geboortestreek bood mij een prachtig gecultiveerd landschap, met de buiten haar oevers getreden Maas, met kale bomen overdressed door maretak, prachtige maar gesloten mergelstenen kerken, ontroerende vergezichten over de Belgische Kempen, gesloten intieme horecagelegenheden. Dat alles ‘completely surrounded with no people!

Is dat erg? Enigszins, want ik werd er droef en sentimenteel van. Maar is dat geen vals sentiment? Jongeren trekken massaal weg. Ik heb diepe bewondering voor de dochter van een oude schoolvriend van mij uit mijn geboortedorp die in Amsterdam politicologie studeert, lid is van een Limburgse gemeenteraad, daar op een haar na wethouder werd na de laatste verkiezingen, en lid is van de plaatselijke fanfare om de ooit bloeiende dorpscultuur nieuw leven in te blazen. Ze reist zich suf, want haar geboortedorp en haar moedertaal zijn haar lief, evenals de kosmopolitische stad. Maar het is zwemmen tegen de tsunami in.

‘Investeer in mensen, niet in (achterstands)gebieden’

Is krimp op het platteland erg? Op persoonlijk niveau ongetwijfeld. Krimp vermindert immers de ontplooiingskansen ter plekke. Maar macro-economisch niet, zo leert Moretti ons in The New Geography of Jobs. Bovendien, ook de ecologische voetafdruk wordt door verdichte steden minder. Veel meer mensen wonen op een kleiner oppervlak en ruimen het veld voor natuurontwikkelingen in de periferie.

Maar wat moeten we dan met het platteland? De econoom Edward Glaeser adviseert in Triumph of the City om te investeren in mensen, niet in (achterstands)gebieden. Dat betekent: uitstekende scholing ter plekke als voorbereiding op (stedelijke) migratie, het toegankelijker maken van de stedelijke woningmarkt (dus niet ‘Amsterdam voor de Amsterdammers’ of ‘Eindhoven voor de Eindhovenaren’), passende voorzieningen voor de noodzakelijke achterblijvers, en noodzakelijk onderhoud aan cultuurhistorische rijkdommen. Dat laatste kan alleen in een florerende stedelijke economie. Die betaalt de rekeningen.