Leeuwarden, voor een dichte(r)e deur

| 23 november 2018

Het is een schande! Een schande dat ik heel mijn leven nooit Leeuwarden heb bezocht. Op een of andere wijze is het er gewoon niet van gekomen. Het werd dus tijd. Dus op naar Leeuwarden of Leewwadden, zoals ze daar in het Stadfries zeggen. Nee, geen Ljouwert, want dat is Land- of Boerenfries.

De rit vanuit Utrecht verloopt voorspoedig. Geen blokkeerfriezen (woord van 2018?) te zien. Eenmaal in Leeuwarden loop ik de binnenstad in en beland op het Wilhelminaplein. De aandacht wordt direct getrokken door een kunstwerk. Fraai door René Knip vereeuwigd doet Melvin van Eldik het wel en wee van een groeiende provinciestad in een gedichtenzuil ritmisch uit de doeken. Een stad die uitdijt, maar waar ruimte is en waar het, zoals hij dat noemt, nooit zal wemelen.

’Ik ben onder de indruk van de nog zicht- en voelbare historie van weleer’

Bij het wandelen door de stad komen we door prachtige oude straatjes, met regelmatig een verwijzing naar het leven van Mata Hari. In gesprekjes met de bewoners van deze stad spreek ik mijn bewondering voor Leewadden uit. Ja, is steevast het antwoord, we dachten lang: het is nooit wat weest, en het sil nooit wat wurde! Maar écht, de laatste jaren is het veel beter geworden. Hier vind ik dus enige rechtvaardiging voor het feit dat ik nu pas Leeuwarden bezoek!

Ik ben onder de indruk van de nog zicht- en voelbare historie van weleer. Ineens sta ik tegenover de Oldehove. De toren van Pisa van Leeuwarden zeg maar. Tegenover deze Oldehove bevindt zich het Tresoar, een het historisch en letterkundig museum en het Lanfantaal, een bezoekerscentrum waarin men op alle mogelijke manieren mensen door middel van taal laat zoeken naar dialoog en verbinding. Leeuwarden is klaarblijkelijk taal-minded.

’Wanneer ben jij de stad en is de stad jou?

Even verderop wordt ik aangenaam verrast door de aanwezigheid van een heus poëzie-straatje. Een prachtig initiatief van Judith Nieken. Kleine gedichtjes (veelal een terzine of kwatrijn) sieren menige voordeur. Judith heeft getracht op basis van gesprekken met de bewoners hun levensmotto kernachtig in dichtvorm weer te geven. Naast een schets van de mensen die er wonen, draagt dit ook bij aan de totstandkoming van de ziel van een straat. Dit maakt dat je gaat nadenken over wat of wie nu eigenlijk een stad maakt en wie of wat ervoor zorgt dat je je daar fijn voelt. Dat je huis, straat, wijk of stad ook echt van jou is. Of misschien nog beter

gezegd: wanneer ben jij de stad en is de stad jou?

 

 

 

 

 

 

 

Het antwoord laat niet erg lang op zich wachten. Ik word getroffen door misschien wel een van de meest waardevolle omschrijvingen van de stad. Voor het Fries Museum staat gehouwen in het steen een sonnet genaamd Hoofdstad van Ilja Leonard Pfeijffer.

 ,,Een stad is nooit een stratenplan met grachten
conform bestemmingsplannen volgebouwd 
waar men zich aan de weersvoorspelling houdt 
en in zijn postcodegebied blijft wachten 

tot huizenprijzen stijgen. In gedachten  
bouwt iedereen zijn eigen stad, met goud 
bestraat en gonzend van een eeuwenoud 
gesprek met wie de stad voorheen bedachten. 

Zo wordt een stad een hoofdstad, in de zin
dat zij in hoofdzaak in je hoofd bestaat
en door herinneringen wordt bewoond.

 Verzin de mensen bij elkaar. Begin
een straat die ruimte voor verhalen laat
en laat de boel krioelen. Dromen loont.’’

Fred Bransen
fbransen@casema.nl