‘Maak van de NOVI geen virtuele werkelijkheid’

| 9 juli 2020

Het begon allemaal zo veelbelovend. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) waar zo lang naar was uitgekeken, zou bepalend zijn voor de ruimtelijke inrichting van ons land voor de komende dertig jaar. ‘Een toekomstvisie met een breed draagvlak helpt ons om Nederland toekomstbestendig te maken. Voordat die visie definitief is, gaan we over dit ontwerp open het maatschappelijk debat aan.’ Aldus minister Ollongren bij de presentatie van de concept-NOVI in juni 2019.

Door Robbert Coops (zelfstandig adviseur) en Victor Frequin (directeur bij OZ Architecten). Dit artikel staat in ROm 6, juni, vakblad voor de fysieke leefomgeving. ROm is gratis voor ambtenaren in dat domein. Word abonnee!

Sinds die presentatie bleef het nogal stil. Het gewenste debat bleef beperkt tot een rondje-langs-de-velden met wat spaarzaam bezochte regionale informatiebijeenkomsten, georganiseerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, een enkel (gevraagd) advies, zoals door de Adviesraad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, en uiteraard binnen bepaalde vakkringen (en -bladen, zoals ROm). Ook de behandeling door de Tweede Kamer was weinig opvallend, zij het dat daar een motie voor een nieuw Ministerie van VROM aan de orde kwam. Veelzeggend was de onduidelijkheid over de voortgang (lees: voortdurende vertraging) van de totstandkoming en invoering van de Omgevingswet; de NOVI maakt immers onderdeel uit van deze nieuwe wet.

Nieuwe inzichten

Intussen veranderde het strijdtoneel van de ruimtelijke ordening echter drastisch. De woningnood werd manifest. De consequenties van de ondertekening van het Klimaatakkoord in Parijs werden door de succesvolle rechtsgang van Urgenda voor het kabinet pijnlijk duidelijk waar het ging om de CO2-uitstoot. Eerder was de stopzetting van de gaswinning in Groningen en Drenthe al aangekondigd en de daaruit voortvloeiende ambitie van een aardgasvrije samenleving in 2030. Onderweg hadden we de stikstof- en de PFAS-crisis.

Al deze thema’s werden in de gepresenteerde ontwerp-NOVI weliswaar benoemd, maar de maatschappelijke en bestuurlijke urgentie voor richtinggevende maatregelen ontbrak. Dat was in ieder geval ook de boodschap vanuit de Tweede Kamer en nog veel meer vanuit sterk lobbyende sectoren, zoals de (duurzame) landbouw, energiesector, bouwbedrijven, natuur- en milieugroeperingen, havenbedrijven, waterschappen, gemeenten en provincies.

De consequenties van het coronavirus blijken intussen fors en voor een deel mogelijk structureel. De intelligente lockdown heeft ons ook nieuwe inzichten gebracht. Thuiswerken is voor velen prima te doen, en ook al willen we dit niet permanent, het lijkt erop dat enkele dagen thuiswerken onderdeel van ‘het nieuwe normaal’ wordt. Kantoortuinen moeten nu (ruime!) werkplekken bieden met anderhalve meter ruimte. En wat te denken van de mobiliteit? Gaan we minder reizen door dat thuiswerken en hebben we daardoor minder files, of kopen of huren we een auto omdat we niet in de trein of de bus willen zitten, waardoor we binnen no-time weer muurvast staan op de weg? Wat betekent dit voor de hausse aan locaties rondom openbaar vervoerhubs? En voor Schiphol? De politiek en zelfs het kabinet gebruikt het coronavirus om een maximum van 500.000 vliegbewegingen per jaar af te dwingen. Het georganiseerde verzet rondom de luchthaven en tegen te veel vliegen wil nog verdergaan. Luchthaven Lelystad staat voorlopig niet meer op de kaart. Kortom, de wereld staat op z’n kop, waarschijnlijk langdurig!

Keuzes maken

In de Kamerbrief van minister Ollongren van april 2020 blijkt in ieder geval dat een deel van alle kritiek en zorgen is opgepakt. Er is nu sprake van ‘meer richtinggevende keuzes in de definitieve NOVI’ en van ‘invulling aan de inhoudelijke noodzaak om meer regie vanuit het Rijk in de grote opgaven waar we in onze leefomgeving voor staan’.

Of dat goed nieuws voor de ruimtelijke ontwikkeling is, valt te betwijfelen. Of meer regie ook (financiële) verantwoordelijkheid betekent, blijkt niet erg uit de stukken. We moeten vrezen dat de rijksregie zich toch beperkt tot coördineren en dan zonder harde bevoegdheden. Dat is gezien de uitdagingen van de grote transities een weinig benijdenswaardige positie voor de verantwoordelijke bewindspersoon (m/v). Zeker nu de forse overheidsinvesteringen in het kader van de bestrijding van het coronavirus en de verwachtte economische crisis, de budgetten voor de ruimtelijke ontwikkeling onder druk zullen zetten.

Het blijft gissen wat de consequenties zijn van de gewenste centrale sturing ‘met respect voor de lokale zeggenschap’. Worden we nu beter van landelijke sturing of hoort het primaat thuis bij de decentrale overheid, en welke dan? Wat betekent die landelijke sturing bijvoorbeeld concreet voor de geplande woningbouw in Valkenburg en De Binckhorst (Den Haag)?

De keuzes en afwegingen zijn verre van eenvoudig. Toch zullen kabinet en Tweede Kamer knopen moeten doorhakken en vervolgens de invulling daarvan voor een belangrijk deel over moeten laten aan gemeenten. Een nieuw Ministerie van VROM moet niet leiden tot bureaucratie, maar tot meer deskundigheid in de besluitvorming en meer capaciteit voor planvorming. De kennis op centraal en decentraal niveau moet beter op elkaar aansluiten.

Door gezamenlijke doelen te formuleren, ontstaat efficiëntere samenwerking. Als dit allemaal in de uiteindelijke NOVI komt te staan, treden we uit de virtuele wereld en maken we de groeiende bevolking duidelijk dat we meer woningen en ruimte nodig hebben, dat we de kool (woningen voor starters) en de geit (het groen) niet kunnen blijven sparen, dat de boeren een stuk van hun agro-industrie moeten inleveren, en dat we niet zomaar snel van het gas af kunnen door dat in te ruilen voor het verbranden van biomassa.

De rijksbouwmeester noemt het in zijn recente boek De toekomst van Nederland ‘de kunst van richting te veranderen’. Wij noemen het ‘keuzes maken’. Minister en Tweede Kamer, mag het een stuk duidelijker!

Openingsbeeld: David Mark, Pixabay