Maakbaarheidsgeloof

| 23 januari 2019

Grootse opgaven versterken het geloof in maakbaarheid, techniek en innovatie. Dat zien we bij het klimaatbeleid en de energietransitie. Dertig jaar geleden was dat ook zo, met de ‘grote nota’s’ van VROM. Er is sindsdien veel groots tot stand gebracht, maar wat is er over van de erfenis van VROM. Wat had de M aan de RO, hoe kon dat ooit (te?) machtige VROM zo teloorgaan dat de V, RO en zelfs de M in geen ministerienaam meer voorkomen? Die vraag stelt Martin Kroon na 32 jaar werken bij ‘Milieu’.

Deze bijdrage is eerder gepubliceerd in ROm 12, december 2018. ROm is gratis voor ambtenaren. Wordt nu abonnee.

Toen ik in 1974 bij Milieu begon was dat nog onderdeel van het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Ik ging werken bij ‘de Regionale Inspectie van de Volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu in de provincie Zuid-Holland’, een semionafhankelijke organisatie op grond van de Gezondheidswet. Een fantastische leerschool voor een beginnend milieujurist, want alles kwam daar langs, van simpele Hinderwetberoepen tot zonering van kerncentrales en LNG-opslag.

Waakhond
Die waakhondfunctie wordt node gemist nu de regionale milieu-inspecties onzichtbaar zijn geworden in grotere inspectieconglomeraten. In 1976 konden we nog overnight een bedrijf sluiten dat een halve woonwijk onder asbestzaagsel bedekt had. Dat haalde hooguit het plaatselijke sufferdje. Kom daar nu eens om! Toen was asbestcement ideaal bouwmateriaal, nu dreigt de ondergang voor honderden boeren met enorme schuren, maar geen geld voor sanering.

‘Alleen in het e-mailadres leeft de ‘m’ van Milieubeheer voort’

Preventie stond bij de Inspectie voor het Milieu voorop in die tijd, toen Rotterdams drinkwater ondrinkbaar was en het milieu in de Rijnmond onleefbaar. Het afval van de vooruitgang werd nog onder nieuwbouwwijken gestopt, zoals in Lekkerkerk. Milieubeleid werd, lang na de Urgentienota Milieuhygiëne , volwassen. Het Directoraat-Generaal Milieuhygiëne vormde met de Rijksplanologische Dienst (en DGVH) in 1982 VROM.
Milieuhygiëne werd Milieubeheer, Winsemius en Nijpels waren bovenal milieuminister. Net als bij de RPD met de grote ruimtelijke nota’s, werden de beleidsambities van DGM zichtbaar in de Nationale Milieubeleidsplannen, de NMP’s 1 tot en met 4. De grote nota’s maakten wereldwijd indruk, maar wat hebben ze in de werkelijkheid veranderd? Is ooit systematisch onderzocht wat er van elk beleidsvoornemen is terechtgekomen?! Zolang duizenden mensen vroegtijdig aan luchtverontreiniging overlijden, is dat een relevante vraag.

Metamorfose
Mijn planologische collega’s hadden een andere cultuur dan wij, DGM-techneuten, chemici en milieujuristen. Wij werkten vooral met normen, decibels en microgrammen, ‘zij’ beschreven – in een kenmerkend maakbaarheidsjargon – toekomstbeelden met ingekleurde kaarten van Nederland. Wij wilden grotere afstanden tussen (vervuilings)bronnen en bewoners: milieuzonering. Planologen willen juist functies integreren en ruimtes vullen. Toen leek de wereld nog maakbaar, met het Rijkswegennet, de Deltawerken, Flevopolders en Vinex-wijken.
De overloopsteden bewezen dat beleidsgevolgen niet altijd kloppen met beleidsdoelen, getuige de groeiende autoafhankelijkheid en files, en sociologische verrassingen als de Bijlmermeer.

De grootste metamorfose, door migratie, voltrok zich dus ongepland en is ook met ambitieuzere ‘omgevingsvisies’ (brrrr!) onoplosbaar. Het oude maakbaarheidsgeloof lijkt nu vooral bij uiterst rechts en bij ‘aardgasvrij’-gelovigen* te heersen.

Synergie en wrijving
De synergie tussen Milieu en RO werkte vooral bij de sanering van verouderde vervuilende industrieën in stedelijk gebied. Bij wegenaanleg en automobiliteit speelde de cultuurkloof ons wel parten. Het was de ‘bekering’ van Neelie Kroes in 1987, dankzij zorgwekkende RIVM-berekeningen van de milieugevolgen van verdere autogroei, die een ommekeer bracht in het groeidenken bij VenW. Halvering van de groei van de automobiliteit werd NMP/SVV2-beleidsdoel, een mondiaal novum, net als tien procent minder CO2 tot 2010. Maar het blijft wishfull thinking, zolang rekeningrijden of een kilometer- of CO2-heffing er politiek niet doorkomen. Vanuit de RPD heb ik toen minder steun voor onze stevige milieudoelen ervaren dan vanuit VenW zelf.

‘De Omgevingswet, de zoveelste megafusie die onwerkbaar zal blijken’

Binnen VROM was er dus even vaak synergie als wrijving. Tegenover zwaardere belangen van sommige beleidsterreinen stond VROM grotendeels machteloos. Zo groeide Schiphol gewoon door, is overal snelweglawaai en groeit het Groene Hart van binnenuit dicht.

Burgerverzet
Zonder milieubeweging zouden Waddenzee en Markermeer al ingepolderd zijn geweest, netjes ingekleurd door planologen. Waar hebben planologen echt een vuist gemaakt voor natuur en milieu? De vraag moet dus gesteld worden of het samengaan van Milieu met RO aantoonbaar milieurendement gehad heeft. Ik denk van niet. Als burger ervaar ik ruimtelijk beleid met andere ogen dan als beleidsmaker, sinds de spoedwettelijk doorgedrukte Rijnlandroute pal langs de Leidse Stevenshof (en mijn voordeur!) onze leefbaarheid en tientallen grutto-territoria onomkeerbaar zal aantasten.
Nu zijn V+RO+M zelfs onzichtbaar bij de departementen waar de brokstukken terechtkwamen. RO en VH kwamen bij BZK, net als in de negentiende eeuw. De Omgevingswet is eenentwintigste-eeuws, de zoveelste megafusie die onwerkbaar zal blijken. DGM is opgeslokt door VenW>IenM>IenW. Alleen in het e-mailadres leeft de ‘m’ voort. En in het beleid?
In 2012 kon minister Schultz, zonder het weerwerk dat DGM eertijds leverde, de snelheidslimieten verhogen. De ambtelijke toppen van de ministeries, die het meeste last van onze bemoeizucht hadden, hebben DGM afgeslankt en tenslotte monddood gemaakt bij VenW, dat liever zonder lastige pottenkijkers ‘milieubeleid’ maakt.

Beeld Michiel Wijnbergh

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geheugenloze overheid
Onze geheugenloze overheid, die steeds vaker faalt bij grootse projecten, moet nu met de energietransitie de grootste uitdaging sinds de wederopbouw aangaan. Ik durf om een elektrische auto te wedden dat het niet gaat lukken vóór 2030 en ook niet voor 2050. De ministeries hebben namelijk de knowhow en daadkracht niet (meer) om effectieve-dus-pijnlijke maatregelen uit te voeren. Luchtvaart en zeescheepvaart blijven bijvoorbeeld buiten schot. Minder autogebruik is geen taboe meer, rekeningrijden met 130 wel, terwijl snelheidsverlaging een megaton CO2 en mensenlevens spaart. Het Klimaatakkoord mikt bijna uitsluitend op technologische innovaties in de vlucht-naar-voren om bedrijven en burgers te ontzien – behalve als het om aardgasvrij gaat. Ministeries noch mobiliteitstafels hebben aandacht voor de aanpak van goedkope vliegtripjes, onzuinig rijgedrag, autoafhankelijkheid en schadelijke autotrends als de verSUVving en de upgrading van power & speed. Penny wise, pound foolish, die Hollandse ziekte, bedreigt de effectiviteit van het Energieakkoord.

Of een herboren milieuministerie deze uitdagingen wél aan zou kunnen, ik denk het niet. De uitgeklede overheden, de complexiteit van de vraagstukken, de politieke onwil en onmacht om pijnlijke maatregelen te treffen, maken dat de energietransitie zal blijven steken in pappen en nathouden. Dit kabinet is nog niet ‘het groenste kabinet ooit’. Dat was Lubbers-2 met het NMP en SVV2. Rutte heeft nog vele bekeringen te gaan om zijn claim waar te maken. Zou het op stal zetten van hobby horse 130 km/uur op de snelwegen geen mooi begin zijn?

 

Auteur Martin Kroon

oud-beleidsmedewerker verkeer en milieu (VROM/DGM)

*Tijdschrift Milieu okt. 2017: Kanttekeningen bij de ‘aardgasvrij’-hype