De ene burger is de andere niet
Maatwerk bij burgerdialoog over energietransitie

| 19 januari 2017

Komend jaar gaat er een landelijk dekkend programma van start om per regio energiestrategieën op te stellen. Lucie van der Wiele ontwikkelde een praktisch model gebaseerd op uiteenlopende leefstijlen om burgers op regionaal en gemeentelijk niveau bij de energietransitie te betrekken.

Dit is een ingekorte versie van het volledige artikel in ROm 12, december 2016
Het opstellen van regionale energiestrategieën, geïnitieerd door het Rijk, staat onder regie van VNG, provincies en waterschappen. Ze moeten tot stand komen in samenwerking met woningcorporaties, bedrijven, ngo’s, netbeheerders, midden – en kleinbedrijf, energiebedrijven en burgers. Voor mijn onderzoek, in het kader van de Master of Urban & Area Development (MUAD), bestudeerde ik wat er bekend is over hoe dergelijke processen in de praktijk verlopen.

Saillant punt is dat vaak slechts een deel van de burgers wordt bereikt: de mensen die zich al met duurzaamheid bezighouden. Een bredere doelgroep bereiken, vergt daarom een forse omschakeling in de procesvoorbereiding en -uitvoering op lokaal niveau. Allereerst moet de gemeente er diep van doordrongen zijn dat een succesvol proces van duurzame ontwikkeling geen top-down-proces is en maatwerk vraagt.

Hierover zijn uitgebreide studies van de Europese Commissie beschikbaar, zoals Policies to encourage sustainable consumption (Sonigo, et al., 2012). Dit rapport analyseert welke modellen in welke lidstaten effectief blijken te zijn. In het Verenigd Koninkrijk maakt de overheid met succes gebruik van het verschil in samenstelling en leefstijl van de burgerbevolking. Zweden zoekt een balans tussen wat de overheid kan en moet doen, en wat de eigen verantwoordelijkheid is van burgers. België hanteert het model van het Burgerforum. Het idee van coproductie vormt samen met inzicht in kenmerken van leefstijlen het vertrekpunt voor de ontwikkeling van het Transitiemodel ‘Gemeenten Energieneutraal’.

Tweedeling
Op basis van big data is tegenwoordig veel informatie beschikbaar over de kenmerken van de bevolking op postcodeniveau. De Leefstijl Atlas (The SmartAgent Company, 2011), die deze informatie per gemeente presenteert, is daarbij een belangrijke informatiebron. In ‘Vijf tinten groen – Input voor effectievere duurzaamheidsstrategieën (Hoekstra, Verheggen, & Hanninck, 2013) van Motivaction wordt dit toegespitst op duurzaamheid. Zo wordt het mogelijk om de leefstijlen te koppelen aan attitudes ten aanzien van duurzaamheid. In mijn onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen vijf groepen burgers: Plichtsgetrouwen, Structuurzoekers, Verantwoordelijken, Statusbewusten en Ontplooiers.

Met behulp van die indeling wordt de tweedeling in de maatschappij met betrekking tot duurzaamheidsattitude verduidelijkt. Aan de ene kant staan de Plichtsgetrouwen en de Verantwoordelijken; zij maken zich zorgen over duurzaamheid en voelen zich hier ook medeverantwoordelijk voor. Zij proberen duurzaam te leven. Aan de andere kant staan de Structuurzoekers, Statusbewusten en Ontplooiers. Zij zijn veelal minder bezig met duurzaamheid. Vooral de Structuurzoekers zijn een moeilijk te motiveren groep: zij kijken veelal alleen naar hun eigen buurt en zijn nauwelijks bezig met een onderwerp als duurzaamheid. Statusbewusten zijn bijvoorbeeld wel gevoelig voor rendement op een investering. Ze zien in dat de plaatsing van zonnepanelen op het dak financieel aantrekkelijk voor hen is geworden. Een deel van de Ontplooiers is eveneens aan het veranderen. De reden hiervoor is dat voor Ontplooiers een duurzame levensstijl trendy is, zodat bijvoorbeeld het thema ‘delen is het nieuwe hebben’ bij hen in de smaak valt.

Transitiemodel

In de studie ‘Effectief beleid voor duurzaam gedrag’ heeft de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur een aantal duurzame energetische concepten geëvalueerd zoals energiebesparing bij woning en hernieuwbare energie-installaties. Daarbij is gekeken naar de betrokkenheid van verschillende bevolkingsgroepen. Op basis van een aanpak gedifferentieerd naar burgergroepen is een effectievere lokale duurzaamheidsagenda te maken. Dit uitgangspunt is verwerkt in het Transitiemodel Gemeenten Energieneutraal.

Het model bestaat uit negen bouwstenen en is te gebruiken als een praktische handleiding op gemeenteniveau:

  1. Bepaal de verdeling (mix) van de vijf duurzame burgerleefstijlen per buurt
  2. Krijg inzicht in houding, gedrag, motivatie en benaderingswijze
  3. Onderzoek de eigen gemeentelijke organisatie
  4. Stem het communicatieplan af en maak gebruik van effectieve ‘duwtjes’ (nudges)
  5. Geef als gemeente het goede voorbeeld
  6. Laat laagdrempelig zien welke keuzes burgers kunnen maken
  7. Spreek met bedrijven en andere betrokkenen eenduidigheid af in de communicatie-uitingen
  8. Stel samen met burgers een effectieve duurzame agenda op onder begeleiding van procesarchitecten
  9. Sta open voor feedback van burgers en bedrijven en laat zien wat er mee wordt gedaan

De gemeentelijke organisatie heeft een belangrijke rol in het betrekken van de burgers. Onderzocht is of gemeenten denken dat ze goed kunnen werken met het model. In een eerste verkenning is het model voorgelegd en besproken met de gemeenten Veenendaal, Wageningen en Zeist.

Eyeopener

De gemeente Veenendaal (66.000 inwoners) heeft begin vorig jaar het besluit genomen om in 2035 klimaatneutraal te zijn. Ze bevinden zich in de opstartfase. Communicatie is daarbij misschien wel belangrijker dan het formuleren van beleid, constateert wethouder duurzaamheid Nermina Kundic. ‘Dat is voor mij toch een eyeopener. Met behulp van het Transitiemodel maken we een communicatieplan dat goed past bij het participatietraject dat wij hebben afgesproken met de raad. Het Transitiemodel Gemeenten Energieneutraal lijkt voor ons gemaakt.’ Kundic weet aan de hand van het model beter dat er in Veenendaal relatief veel Structuurzoekers zijn en dit vergt een laagdrempelige communicatieaanpak.

 

Wageningen nam al in 2008 het besluit om in 2030 klimaatneutraal te zijn. De gemeente zet vol in op duurzame energieopwekking. In Wageningen worstelt men met de vraag of er gezien de urgentie van het energievraagstuk nog wel voldoende tijd is om een burgerdialoog op te starten. In dat kader spreekt men van de noodzaak van maatregelen die passen bij een klimaatcrisis in het vijf-voor-twaalf-stadium. Toch bleek dat er desondanks veel te winnen valt met het Transitiemodel; vooral op het punt van het in stand houden en versterken van het draagvlak onder de burgers voor de energietransitie. Doorslaggevend daarbij is het inzicht dat het model biedt in de verschillende leefstijlen. Zo kunnen bredere groepen burgers bereikt worden zoals met de ‘klimaat-HIER-straatprijs’. Dat illustreert wat de werking kan zijn van het afstemmen van de communicatie per doelgroep.

 Vertrouwen

De verkenning bij drie gemeenten heeft laten zien dat er vertrouwen is in de praktische toepasbaarheid van het Transitiemodel. Wageningen ziet de waarde voor maatwerkcommunicatie en draagvlakontwikkeling. Zeist noemt zowel de generieke insteek als de expliciete focus op de combinatie van buurtniveau, inzicht in leefstijlen en gedragsbeïnvloeding. Veenendaal is met het model aan de slag gegaan bij het maken van een communicatieplan. Het Transitiemodel heeft volgens de gemeente Veenendaal mede als voordeel dat het bijdraagt aan transparantie en draagvlak. De stakeholders en de gemeenteraad weten waarom en binnen welk kader gekozen is voor de specifieke inrichting van het gekozen duurzaamheidstraject.

Een tweede stap naar de praktijk wordt een experttraining over het model. Van der Wiele gaat die verzorgen voor 26 regiocoördinatoren die door de VNG zijn aangesteld om de gemeenten te ondersteunen bij het opstellen van energiestrategieën.

Nu volgt de meest spannende fase. Hoe goed werkt het model echt in de praktijk? Wat kan de toepassing ons leren over effectieve gerichte stimulering en facilitering van bottom-up-initiatieven? We hopen over niet al te lange tijd het antwoord op de twee voorgaande vragen te kunnen geven.
Lucie van der Wiele is hoofddocent Bouwkunde bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Zij is bij haar master-onderzoek begeleid door dr. Kjell-Erik Bugge, (lector bij de MUAD en lector Ontwikkeling Werklocaties op Saxion).