Op zoek naar praktische oplossingen voor de bereikbaarheid van het platteland
Naar slimme en duurzame mobiliteit in Noord-Nederland

| 3 april 2019

auteur Peter Schouten

De Boodschappenbus van AH in Havelte haalt klanten uit het landelijk gebied naar lokale winkels.

De combinatie van vergrijzing en – actuele of voorziene – bevolkingsdaling kan in landelijk gebied leiden tot slechtere bereikbaarheid van vooral bovenlokale voorzieningen. Dé oplossing bestaat niet, maar ligt in een slimme combinatie van maatregelen. Soms groot, soms klein, soms door overheden gestuurd, soms uit de samenleving zelf. Soms betrekking hebbend op mobiliteit, soms op heel ander terrein. De gezamenlijke provincies in Noord-Nederland hebben via het programma ‘Anders benutten’ aangegeven hoe zo’n combinatie eruit kan zien.

Dit artikel stond eerder in de volledige versie in ROm 1-2, februari 2019. ROm is gratis voor ambtenaren in het domein van de fysieke leefomgeving. Wordt nu abonnee.

Elke noordelijke provincie heeft zijn krimp- of anticipatiegebieden waar op afzienbare termijn krimp te verwachten is . Krimp hoeft geen ramp te zijn, maar het is wel lastig dat zoveel voorzieningen verdwijnen of op grotere afstand komen te liggen. Denk aan voortgezet onderwijs, gezondheidszorg, winkels voor niet-dagelijkse goederen. Tel daarbij op dat traditioneel ov niet steeds een goede oplossing biedt, dat in de zorg meer beroep op zelfredzaamheid wordt gedaan en er tekent zich een opgave af om bovenlokale voorzieningen in het landelijk gebied bereikbaar te houden.

Zoektocht
Hoe je dat niet doet is wel duidelijk: door elk uur een vrijwel lege bus een slingerende route door elk dorp te laten rijden. Zo’n oplossing is duur en sluit steeds slechter aan op de maatschappelijke vraag. De toekomst zal eerder in een voor elk gebied anders uitvallende mix liggen, met als elementen een grofmaziger net van snellere openbaarvervoerlijnen, een systeem van ‘doelgroepenvervoer’ (Wmo-, leerlingenvervoer) dat ook openbaar-vervoerreizigers meeneemt, vervoersaanbod dat spontaan vanuit de gemeenschap ontwikkeld wordt (liftcentrales, deelauto’s), slimme locatiekeuze van vervoerknopen en voorzieningen, het brengen van voorzieningen naar de mensen, in fysieke of digitale vorm (denk aan delen van de gezondheidszorg en misschien onderwijs).
Overal zien we deze zoektocht. Daarbij bestaat hét recept niet. Het zal overal gaan om een steeds andere mix van maatregelen, die tezamen een pakket werkzame bestanddelen moeten vormen om de bereikbaarheid te verbeteren. Hieronder een verslag van deze zoektocht in Noord-Nederland, onder de vlag van het programma ‘Anders benutten’.

Pilots
Aanvullend op de aanpak van stedelijke bereikbaarheidsproblematiek in ‘Beter benutten’ is in Noord-Nederland in 2015 het MIRT-onderzoek ‘Anders benutten’ gestart. Dit richt zich op het verkennen van mogelijkheden om voor inwoners van plattelands- en met name krimp- en anticipeerregio’s bovenlokale voorzieningen bereikbaar te houden respectievelijk te maken. Het vormt daarmee als het ware de contramal van ‘Beter benutten’ voor het landelijk gebied. Er zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd als in ‘Beter benutten’, zoals de combinatie van vervoerstypen en het verminderen of efficiënter maken van vervoersbewegingen, en ook maatregelen die niet op het terrein van mobiliteit liggen. Een verdere analogie met ‘Beter benutten’ is de aanpak via zoveel mogelijk – ook niet-overheids- – stakeholders en gedragsbeïnvloeding. Zie verder www.andersbenutten.nl.

In de eerste fase zijn 25 pilots uit de noordelijke samenleving opgehaald

In de eerste fase, het MIRT-onderzoek, afgerond eind 2016, zijn 25 pilots uit de noordelijke samenleving opgehaald. Elke pilot levert in meer of mindere mate een bijdrage aan de bereikbaarheid van bovenlokale voorzieningen in het landelijk gebied.
In de tweede fase, vanaf eind 2017, hebben we gekeken naar de mogelijkheden een aantal pilots nader uit te werken. ‘We’ is de projectgroep ‘Anders benutten’, waarin vertegenwoordigd de noordelijke provincies en de ministeries van I&W en BZK. In de provincies bestaat bestuurlijke steun voor de geschetste aanpak. Uitwerken kan betekenen het maken van slimme combinaties, opschalen of bezien of uitrol op meer plekken mogelijk is. Er is inzicht verworven in de kosten en de inbedding van de initiatieven in het beleid van Rijk en provincies. En ook is gekeken naar de rol van mogelijke andere stakeholders.

Selectie
We willen pilots uitwerken die de grootste kans hebben substantieel bij te dragen aan verbeterde bereikbaarheid van het platteland, maar we kijken breder. We willen dat de pilots een leereffect hebben, elders toepasbaar zijn, origineel zijn, er veel stakeholders betrokken zijn – ook van buiten de overheid – en bijdragen aan lopende beleidstrajecten van het Rijk. De uitwerking doen we samen met relevante stakeholders. We willen een doorkijk geven naar de toekomst: slaagt een pilot, wat is dan het perspectief op langere termijn en wat is de rol van de overheid? Slaagt een pilot niet, zijn er alternatieven, en ook hier: wat is dan de rol van de overheid? We proberen waar mogelijk bij de uitwerking dwarsverbanden tussen pilots te leggen. Geen enkele pilot zal voldoen aan dit alles. We willen een pakket uitwerken dat hier als geheel zoveel mogelijk aan voldoet.

Hubs moeten uitdrukkelijk meer zijn dan een oldskool busstation

We menen dat een dergelijk pakket het best mogelijk is als we de focus leggen op pilots rond hubs en ketens, MaaS/dataplatform/Mobiliteitscentrale en autonoom vervoer/’1st&last mile’, waarmee we slimme en duurzame mobiliteit vanuit drie invalshoeken faciliteren: door fysieke voorzieningen, door het benutten van data en door vormgeving van het vervoer ‘op straat’. Het zijn voor de bereikbaarheid van het landelijke gebied bepalende thema’s en er zijn diverse dwarsverbanden onderling. Verder kan ‘Anders benutten’ hier een toegevoegde waarde hebben. Tenslotte is het mogelijk te komen tot in de hele regio gedragen en goed over de regio gespreide voorstellen.

Hubs en ketens
De rol van traditioneel ov neemt af en er zal meer sprake zijn van ketenmobiliteit. Daardoor ontstaat de behoefte aan fysieke ankerpunten waar traditioneel ov aansluit op alle mogelijke andere vormen van vervoer dieper het landelijk gebied in. Deze ankerpunten, die we hubs noemen, bieden in elk geval voorzieningen voor aansluiting tussen diverse vormen van vervoer. Denk aan een fietsenstalling, oplaadpunten voor de e-bike, parkeren, reisinformatie. In Groningen/Drenthe wordt een goede bediening met traditioneel ov gedurende meestal tien jaar gegarandeerd en is het de bedoeling dat niemand meer dan vijftien kilometer van een hub woont. Hubs moeten uitdrukkelijk meer zijn dan een oldskool busstation. De ruimtelijke inbedding, lokaal maatwerk en de link met voorzieningen zijn minstens even belangrijk.
Wat betreft – ook digitale – reisinformatie en aan te bieden ander vervoer ligt er een dwarsverband met de twee volgende clusters.

Data
Om een verplaatsing echt als een soepele keten te laten verlopen, is slim gebruik en ruime beschikbaarheid van data nodig. Denk aan digitalisering van informatie over de ketenreis (ov, hubtaxi, doelgroepenvervoer) en over voorzieningen (huurfietsen, mogelijkheden tot autodelen). Deze informatie moet op meerdere manieren toegankelijk zijn: op hubs, via 9292, via reisapps en in de vorm van persoonlijk advies, bijvoorbeeld in combinatie met de reisassistent van Qbuzz en de MaaS-pilot Publiek Vervoer in Groningen/Drenthe.

Slim gebruik en ruime beschikbaarheid van data noodzakelijk

Voor Groningen/Drenthe is een Dataplatform Publiek Vervoer ontwikkeld, bedoeld om slimme combinaties tussen ov en doelgroepenvervoer mogelijk te maken en om het doelgroepenvervoer slimmer te organiseren: minder lege ritten, minder ritten in de spits en betere bezetting van de voertuigen.
In Noordoost-Fryslân is een mobiliteitscentrale in gebruik genomen om de ‘onderkant’ van het ov en het doelgroepenvervoer slimmer te plannen en waar mogelijk combinaties te maken. De toekomst moet leren wat beter werkt, een dataplatform of een regiecentrale.

Autonoom vervoer
Het Noorden kent een intensieve samenwerking tussen overheden, bedrijven en zorg-/onderwijsinstellingen om op kansrijke plekken autonoom vervoer te realiseren. Soms als ‘1st&last mile’ in het ov, soms om een voorziening te ontsluiten, soms om op ruimtelijke ontwikkelingen in te spelen. Zie de site www.autonoomvervoernoord.nl. Autonoom vervoer kan plaatsvinden op de weg, het spoor, het water en in de lucht. Vanuit ‘Anders benutten’ stellen we voor ons te richten op het eerste en het laatste. Daarbij is immers het best de link te leggen met verbeteren van de bereikbaarheid van bovenlokale voorzieningen in landelijk gebied.

Opties voor autonoom vervoer via de weg én in de lucht

Verschillende mogelijkheden zijn hierin denkbaar, zoals het aansluiten op grofmaziger wordend ov (‘1st&last mile’), zorg, toerisme/recreatie, verbetering van de mobiliteit voor mindervaliden, ouderen of leerlingen, of pakketbezorging met drones. Zo wil Stichting DroneHub op Groningen Airport Eelde (GAE) het gebruik van drones in het Gecontroleerde Luchtruim mogelijk maken. Er zijn toepassingen denkbaar die bijdragen aan bereikbaarheid van het landelijk gebied en dus aan het doel van ‘Anders benutten’. Zo lijkt een experiment met bezorgen van medicijnen/spoedbestellingen op de Waddeneilanden kansrijk. Dit met de bedoeling dat het bedrijfsleven er een verdienmodel in ziet.
Het is wenselijk om de komende jaren verschillende pilots op meerdere plekken uit te voeren.

Vaak worden autonoom vervoer, elektrisch vervoer en autodelen op één hoop gegooid. Veelal ten onrechte, onderscheid is nodig. Niet en nog niet autonoom, en meestal ook niet elektrisch, zijn diverse vormen van deelauto’s. Een mooi voorbeeld vormt Duim OmHeeg, een zowel fysieke als digitale liftcentrale in Heeg en Langweer. Zie www.duimomheeg.nl/.

Inzichten en vragen
Uit de eerste en tweede fase hebben we al veel geleerd, maar we weten nog niet alles.
Verworven inzichten en ervaringen tot nu toe zijn onder meer:

  • Betere bereikbaarheid van het platteland heeft maar ten dele met mobiliteit, laat staan ov, te maken. Soms liggen bruikbare maatregelen op heel andere terreinen.
  • De overheid kan het niet alleen. Je hebt particulieren, bedrijfsleven, zorg- en onderwijsinstellingen nodig.
  • Maatregelen kunnen zowel groot als klein, zowel lokaal als bovenlokaal zijn.
  • Vaak is geld niet het grootste probleem, maar de schotten tussen geldstromen of belemmerende regelgeving.
  • Inzet van vrijwilligers is zinvol, maar kan leiden tot gebrek aan stabiliteit en problemen met regelgeving rond verdringing op de arbeidsmarkt.

We weten nog niet wat op langere termijn het effect van de voorgestelde mix van maatregelen is op zowel de daadwerkelijke als de door bewoners gevoelde bereikbaarheid. Daar ligt eigenlijk een vraag onder: is er eigenlijk sprake van echte vervoersarmoede en zo ja in welke mate bij welke groepen? Tenslotte een vraag die politiek misschien wat tricky is: wat is de mate van zelforganiserend vermogen in een regio, en hoe zit het met de verschillen in deze tussen regio’s, met als vervolgvraag wat dit betekent voor de rol van de overheid?

De meest kansrijke pilots en clusters daarvan staan nu op een rij. Wat uitwerking moet inhouden en welke vragen daarbij aan de orde zijn ook. De uitwerking kan gezamenlijk plaatsvinden door de noordelijke provincies – met tot nu toe Drenthe als trekker –, de ministeries van I&W en BZK en andere stakeholders. De beste beleidsmatige inbedding lijkt in een programma ‘Slimme en Duurzame Mobiliteit Noord-Nederland’. We hopen dat de uitkomsten van de uitwerking ook bruikbaar zullen zijn voor gebieden elders die met vergelijkbare problemen te maken hebben of krijgen.

Voorbeelden van opgehaalde pilots

– diverse initiatieven rond autodelen en autonoom vervoer, al dan niet voor ‘1st&last mile’ van het ov;
–  pogingen gebruikers van doelgroepenvervoer eerder het ov te laten gebruiken;
–  beter organiseren van doelgroepenvervoer: dataplatform, regiecentrale;
–  boodschappenbus: halen/brengen klanten uit landelijk gebied naar lokale winkels;
–  toepassingen 5G-internet: voorzieningen naar de mensen brengen;
–  hubs: fysieke schakels tussen vervoerwijzen in combinatie met voorzieningen;
–  slimme locatie medische voorzieningen: concentreren aanbod op bereikbare plek;
–  lokale zorgcorporatie: samenwerking professionals en vrijwilligers;
– samenwerkende vo-scholen om gezamenlijk breed aanbod te behouden;
– onderzoek mogelijkheden combinatie personen- pakketvervoer.
Peter Schouten is zelfstandig adviseur bij SchoutenConsult en was projectleider ‘Anders benutten’ van oktober 2017 tot november 2018