Natúúrlijk veranderen onze binnensteden – en dat werd tijd ook

| 20 januari 2016
Jan-Willem Wesselink

Jan-Willem Wesselink

Een paar weken geleden ging een foto viral waarop online-shoppers verantwoordelijk worden gesteld voor de leegstand in ‘het dorp’. Ik heb geen idee welk dorp het betrof, maar blijkbaar was het een breed gedeeld ongenoegen, want de foto werd gedeeld van Rotterdam tot Hoogeveen, vaak door ambtenaren, makelaars of winkeliersverenigingen. Kortom, door direct betrokkenen.

Ik vond het een gênante vertoning. De klant een beetje de schuld geven dat hij of zij niet meer in ‘het dorp’ koopt en dat daarom de panden in dat dorp leegstaan. Het is de wereld op zijn kop. De klant moet namelijk helemaal niets, hij hoeft niet te shoppen in het dorp én niet online. Hij doet wat hij wil en daar moet de winkelier maar op inspelen. De klant is dan ook niet verantwoordelijk voor de leegstand in onze binnensteden en dorpskernen, dat zijn de winkeliers zélf die niet meer luisterden naar hun klanten. Hoe erg ik het ook vind voor ondernemers dat ze failliet gaan en werknemers die hun baan kwijtraken, de klant betaalt je succes en als je dat niet snapt, gaat het een keer mis.

En een schaalniveau hoger zijn de gemeenten zelf verantwoordelijk voor de leegstand in de winkelstraten. Zij bepalen immers waar de winkelstraten zijn en hoe groot het aanbod is. Zij maken outletcentra mogelijk bij steden waarvan de binnenstad op sterven na dood is en verleggen koopstromen naar nieuwe zwaartepunten in de stad, waardoor andere delen het opeens veel lastiger krijgen. En zij gingen ervan uit dat de groei maar door zou gaan, alsof er geen crisis was en alsof webwinkels niet bestonden. Overigens hebben makelaars en pandeigenaren net zoveel boter op het hoofd omdat ze vanuit dezelfde naïviteit de huren bleven verhogen.

Niets is voor eeuwig en alles verandert telkens een beetje. De meeste winkelpanden zijn niet ouder dan een eeuw, of misschien 125 jaar. Daarvoor hadden de straten in onze steden een veel gemengdere en kleinschaligere opzet. Een functie waarbij wonen en werken centraal stonden. In de Smedenstraat zaten de smeden en in Kalverstraat was een veemarkt. Het echte winkelen is nog jonger, pas vanaf de jaren ’60 werden onze binnensteden autovrij en gingen mensen steeds massaler shoppen.

De vraag is dan ook niet hoe we het oude behouden, maar hoe we het nieuwe de ruimte geven en ervan profiteren. En hoe we onze centra weer zo aantrekkelijk maken dat mensen er graag komen. Ik zou daarbij inzetten op diversiteit. En dat is niet hetzelfde als kleinschaligheid. Een keten als Urban Outfitters verkoopt geen kleding, maar een lifstyle met alles wat daar aan spullen bij hoort. Het is in feite het warenhuis voor de nieuwe generatie. Primark is, in een heel ander prijssegment, met hetzelfde bezig. Doel: de klant zo lang mogelijk binnenhouden. Echte doel: omzet. Beide ketens vullen panden zo groot als de gemiddelde V&D.

Diversiteit kan ook op straatniveau, waarbij opnieuw moet worden uitgevonden hoe de klanten er zolang mogelijk kunnen worden vastgehouden. Het liefst tot diep in de nacht. De oplossing is simpel: zorg ervoor dat ze er niet weg willen. Bied de ideale mix van winkels, horeca, maar zorg ook dat je er kunt werken en sporten. Maak er een tweede huis van. Bied ook dat huis aan. Maak het superaantrekkelijk. En ja, dan ontstaan er straten die niet voor elk wat wils bieden, maar die zich richten op een doelgroep. En ja, dan moet je functies mengen en met openingstijden spelen. En ja, dat vergt creativiteit en ondernemerschap. En ja, je moet daarbovenop zitten, streng zijn, durven twijfelen.

En ja, dat is veel leuker dan het ophangen van A4’tjes vol gemopper.

Jan-Willem Wesselink
Hoofdlaborant bij het Kennislab voor Urbanisme

Klik hier om meer blogs van Jan-Willem Wesselink te lezen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *