Niet elke architectuurhistoricus in de stad is een stedeling

| 8 april 2018

In Archined stond kort geleden (23-03-18) een artikel over hoe om te gaan met erfgoed in de dynamische stad. Daarin werd het Maupoleum (Burgemeester Tellegenhuis) in Amsterdam als voorbeeld aangehaald van een gebouw dat relatief kort na oplevering (1971) in 1994 alweer tegen de vlakte ging. Het stond destijds bekend als een van de lelijkste gebouwen van Nederland, ‘maar wie de foto’s van het kantoorgebouw nu aan architectuurstudenten laat zien, krijgt de vraag wat er eigenlijk mis mee was.’

Als je die studenten het gebouw had kunnen laten bezoeken, om er een tijdje te studeren bijvoorbeeld, en ze hadden elke dag hun weg door de Jodenbreestraat in de hoofdstad moeten bewandelen om het gebouw te bereiken, dan hadden ze éénstemmig en volmondig hun eigen vraag beantwoord op een wijze die grote gelijkenis zou vertonen met wat woningbouwer en placemaker Thom Aussems op Twitter meldde over het Maupoleum: ‘Nooit meer zo een treurniswekkend ensemble meegemaakt. Wetenschappelijke proeftuin voor psychosomatische ziekten. En het past niet in de fijnmazige stedelijke structuur.’

Het Maupoleum voldeed van geen kant

Een gebouw kun je niet beoordelen op het uiterlijk alleen. Sterker nog, het uiterlijk is van minder belang dan dat het gebouw (1) uitstekend voldoet voor de functie waarvoor het bedoeld is, (2) duurzaam is in de zin dat er geringe ingrepen nodig zijn om het gebouw aan te passen aan nieuwe wensen of andere functies, en (3) een bijdrage levert aan de verblijfskwaliteit van de straat. Het Maupoleum zou op alle deze criteria een ruime onvoldoende scoren. Slopen dus.

Of het gebouw dat ervoor in de plaats is gekomen mooier of lelijker is, doet er niet zoveel toe. Het functioneert als kantoorgebouw uitstekend, is al enkele malen aangepast aan de modernere kantooreisen, en kent plinten met gevarieerde functies die de verblijfskwaliteit van de straat hebben verbeterd.

De Knijtijzerpanden als monument?

Architectuurhistorici beoordelen niet alleen gebouwen, maar dragen monumenten voor en pleiten met hartstocht voor beschermde stadsgezichten. Dat is goed, en kan vele voordelen hebben. Maar niet altijd. Als ik als advocaat van de duivel de redenen opnoem waarom de Knijtijzerpanden in de Jan Evertsenstraat in Amsterdam als monument zijn aangemerkt, is hoongelach van toehoorders mijn deel. En ik begrijp dat maar al te goed. Bovendien is het heel wrang voor de ontwikkeling van de Jan Evertsen dat de Knijtijzerpanden hun huidige status pas zeer recent hebben verworven.

Ik werd ook overvallen door het nog niet zo lang geleden aanwijzen van het gebied ten noordoosten van de Sloterplas tot beschermd (tuin)stadsgezicht. Nog net op tijd om deze tweede tranche verdichtingslocatie flink te dwarsbomen. Net als Le Corbusier en Van Eesteren willen de huidige verdedigers van hun erfgoed de stad buiten de deur houden.

De afkeer van de stad is niet alleen in den Haag of bij het Atelier Rijksbouwmeester voelbaar. Die is ook virulent binnen de architectuurhistorie. Nog steeds is er een forse stroming binnen de Nederlandse architectuurhistorie die de stedenbouwkundige kwaliteit van het modernisme wil beschermen, ondanks de ontwrichtende werking van deze stedenbouw op sociaaleconomische kansen voor een groot deel van bewoners en bedrijven. De groene scheggen, zo kenmerkend voor het Amsterdam van Van Eesteren, zijn zo ongeveer heilig; ongeacht dat sommige scheggen rommelzones zijn geworden, en (stedelijke) lobben te dunbevolkt zijn om openbaar vervoer succesvol te exploiteren.

Dit anti-stedelijke sentiment is fnuikend voor de vele woningzoekenden en ondernemers  die in de stad, vandaag de dag de kern van de economie, hun geluk willen beproeven.

Schieten op de Sluisbuurt

Dus dan maar de lucht in, als de groene scheggen heilig zijn, de monumenten zich als een konijnenplaag aan ons opdringen, en beschermde stadsgezichten een nieuwe item zijn geworden binnen de architectuurhistorie. Maar dan kom je helemaal van een koude kermis thuis. In haar frontale aanval op de Sluisbuurt zet journalist Floor Milikowski in haar recente boek Van Wie is de Stad. De strijd om Amsterdam de UvA-architectuurhistorica Petra Brouwer vol in het bühnelicht.

‘Het ontwerp [van de Sluisbuurt, Amsterdamse inbreidingswijk] geeft op geen enkele manier antwoord op de urgente vragen waar Amsterdam zich mee geconfronteerd ziet’. Op geen enkele manier! In de Sluisbuurt worden veel woningen gebouwd in compacte setting, gemengd met andere functies, in de nabijheid van de urban fabric, om uiteindelijk deel van die urban fabric te worden. Daarmee worden niet alleen heel veel mensen bediend die een hoogstedelijke woonvoorkeur hebben, maar wordt ook de agglomeratiekracht van onze stad vergroot. Dat zijn in de ogen van de architectuurhistoricus kennelijk niet de urgente stedelijke vraagstukken. Wat dan wel?

De architectuurhistoricus wordt nog stelliger. Ze noemt het misdadig dat het ontwerp van de Rembrandttoren ooit is goedgekeurd. ‘Zo lelijk! En je ziet hem overal’. En dat wordt in de Sluisbuurt nog allemaal veel erger. Volgens Brouwer wordt door de ligging aan het open water van het IJ, tegenover Waterland, het gevoel van ruimte en groen tot in de verre omtrek aangetast. Brouwer bevindt zich in goed gezelschap want de vroeger commissaris van de Koningin Jos van Kemenade (PvdA) schijnt inzake de Rembrandttoren ooit een brief aan de verantwoordelijke wethouder te hebben geschreven dat hij niet geconfronteerd wilde worden met de opdringerigheid van Amsterdam. Hun wil is hun wil, ieder zijn ding, maar het mag geen wet worden. Bewoners van de groene scheggen willen de stad helemaal niet zien. Anders gezegd: de stad mag er niet zijn.

Ik ga graag met architectuurhistorici op stap. Ze leren me veel over stad, gebouwen, ensembles. Maar net als in andere wetenschappen zijn er rücksichtslose stromingen die in dit geval wat schoon en lelijk is als wetenschappelijke dogma’s proclameren.

Mijn hypothese is dat de afkeer van de stad het sterkst is bij gearriveerde stedelingen die hun positie in de stad al lang geleden hebben veilig gesteld en geen oog willen hebben voor de karakteristieke dynamiek van de stad. Dat geldt ook voor architectuurhistorici. Amsterdam is een stad, maar kent ook onder haar architectuurhistorici stadbewoners die geen stedelingen zijn.

Jos Gadet