Nieuwe strategie zorgt voor doorbraak in Landschapsvisie Hunzedal

| 25 februari 2021

De Landschapsvisie Hunzedal biedt nieuw perspectief op de succesvolle afronding van de natuurontwikkeling in het stroomdal van de rivier de Hunze in Drenthe. Deze natuuropgave is onderdeel van het Drentse Programma Natuurlijk Platteland en moet in 2027 klaar zijn. Maar dat lijkt nogal een stevige ambitie vanwege de lage grondmobiliteit, agrarische en andere belangen, zoals van de energietransitie. Ruim een jaar geleden kregen uitvoeringsorganisatie Prolander en LAOS Landschapsarchitectuur de opdracht om de zaak vlot te trekken. Met succes, dankzij een uitvoerig participatietraject en een integrale werkwijze.

Door Bart Westerveen. Dit is een ingekorte versie van het artikel in ROm, nr 1-2, februari 2021. ROm is het maandelijkse vakmagazine voor de fysieke leefomgeving en gratis voor ambtenaren in dat domein. Neem een abonnement op het thuisadres.

Inspiratiebeeld bij een van de drie deeluitwerkingen uit de Landschapsvisie Hunzedal: Deeluitwerking Benedenloop

In 1995 gaven Het Drentse Landschap, Het Groninger Landschap en Waterschap Hunze en Aa’s met de eerste Hunzevisie 2030 het startsein voor een ingrijpende herinrichting van het beekdal van de Hunze. Een beekdal dat door de kanalisatie van de Hunze in de jaren vijftig zijn oorspronkelijke karakter verloor.

Vijftien jaar later is het beekdal van de Hunze al onherkenbaar veranderd. Grote delen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de Hunze zijn inmiddels ingericht. Maar het Natuurnetwerk is nog niet af. In het NNN in het Drentse deel van het Hunzedal resteert nog een grote opgave voor het aanleggen van verspreid liggende natuur- en waterbergingsgebieden. Voor 2027 moet het beekdal van de Hunze een duurzaam ingericht natuurgebied zijn. Eind 2016 heeft de Provincie Drenthe de Stuurgroep Hunze ingesteld om ervoor te zorgen dat de doelen en ambities in samenwerking met de streek worden gehaald. In de gebiedsontwikkeling Hunze werkt Prolander in opdracht van de Provincie Drenthe aan de afronding van het NNN.

Gaande het planvormingsproces wordt duidelijk dat de grondmobiliteit in het Hunzedal te laag is. Door concurrerende ruimteclaims – onder andere landbouw, energieproductie en andere functies – komen gronden binnen het NNN onvoldoende of te langzaam beschikbaar. Het gevolg is dat de geplande einddatum van 2027 niet zal worden gehaald indien het proces op dezelfde voet wordt voortgezet. Om deze impasse te doorbreken, is de opgave verbreed en wel op drie manieren: geografisch, thematisch en in de tijd. Stuurgroep Hunze ondersteunt het verbredingsvoorstel en krijgt van de provincie bestuurlijke ruimte om de verbreding vorm en inhoud te geven. Bovendien wordt besloten tot het maken van een tussenstap. Vastgesteld is namelijk dat er een groot schaalverschil zit tussen de bestaande, relatief abstracte Hunzevisie en de concrete inrichtingsopgaven in de deelgebieden.

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

De natuuropgave is opgedeeld in verschillende deelgebieden. Een aantal is al gerealiseerd of in voorbereiding. De landschapsvisie Hunzedal geeft sturing aan de nog resterende opgave binnen het Natuur Netwerk Nederland, maar vooral aan de integrale ontwikkelingen van het gehele Hunzedal. Daarbij zijn niet de bestuurlijke grenzen maar de geografisch een landschappelijke grenzen aangehouden. Van Hondsrugflank tot randveenontginningslint en van brongebied tot het Zuidlaardermeer.

Met de door Prolander en LAOS Landschapsarchitectuur opgestelde Landschapsvisie Hunzedal – in samenwerking met opdrachtgever en alle gebiedspartijen – wordt de brug geslagen. De Hunzevisie is in de Landschapsvisie Hunzedal nader uitgewerkt voor het Drentse deel van het Hunzedal. De Landschapsvisie is integraal: het verbindt thema’s als natuur, water, energie, landbouw en recreatie met elkaar. Bij het opstellen van de landschapsvisie is gezocht naar een realistisch toekomstperspectief, in aansluiting op de praktijk en de voorgeschiedenis van het gebied; om te weten waar je naartoe gaat, moet je weten waar je vandaan komt.

Tijdsdruk
De tijdsdruk van de deadline van 2027 was een belangrijke factor. Martin van Dijken (Prolander): “Die tijdsdruk heeft ook voordelen die je kunt benutten. De aandacht en focus blijft gericht: iedereen werkt naar een gezamenlijk doel toe, een doel dat in zicht is en de voorafgaande stappen liggen vers in het geheugen. Daarmee ontstaat ruimte voor korte lijnen en vlotte samenwerkingen.”

Het traject van totstandkoming van de visie bestond uit twee, tegelijk lopende trajecten die periodiek bij elkaar kwamen en elkaar voedden. Eén traject was het samenwerken met bestuurders, stakeholders en betrokkenen op het gebied van landbouw, recreatie, waterhuishouding en energie, met als doel het integreren van alle belangen in werkbare modellen.

 ‘Voor de grote opgaven is een integrale aanpak de enige manier’

Als basis voor beide trajecten is gewerkt aan een gebiedsanalyse en daarmee samenhangend ontwerpend onderzoek, dat modellen leverde of juist uitwerkte. Uitgangspunt hierbij was dat de natuurlijke ondergrond, met zijn eigen systemen, de basis van duurzame ontwikkeling is.

Het tweede traject bestond uit het opstarten van een concreet pilotproject in het gebied, dat tegelijkertijd met het ontwikkelen van de visie liep. Daardoor ontstond een waardevolle wisselwerking, aldus Dijkstra. “De praktijk voedde de theorie en vice versa. Op die manier kon worden bijgestuurd en konden ideeën worden uitgetest. Zo konden we doelen, slagkracht, realiseerbaarheid en beoogde uitwerking van de visie in de praktijk beoordelen.”

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

Natuurontwikkeling wordt gekoppeld aan energietransitie, CO2-reductie en landschappelijke structuren. Rietteelt en resten uit de paludicultuur leveren biomassa en daarmee energie op. Er zijn technieken in ontwikkeling voor het opwekken van elektriciteit met natte teelten. In het gebied zijn daarnaast mogelijkheden voor geothermie, blijkt uit onderzoek.

Meerwaarde

Het meelopen van een concreet pilotproject is een essentieel onderdeel geweest in de totstandkoming van de visie. Dat maakte het mogelijk de theorie en de praktijk met elkaar te verbinden. “Wat je in abstracte zin met elkaar bespreekt, kun je meteen uitwerken en in de praktijk toepassen. Zo maak je het zichtbaar en ervaarbaar”, legt projectleider Bart Dijk (LAOS Landschapsarchitectuur) uit. “Daarmee wordt de visie concreter voor mensen die met de dagelijkse praktijk te maken hebben. En andersom komt voor visiemakers de praktische kant dichterbij, hetgeen de visie scherper maakt.” Hij zegt dat dit heen en weer schakelen tussen de praktijk en de theorie de samenwerking enorm heeft bevorderd en partijen dichter bij elkaar heeft gebracht.

‘We kunnen ons niet veroorloven sectoraal naar opgaven zoals energie, water en landbouw te kijken’

Landschapsarchitect Van Dijken vult aan: “Een andere grote meerwaarde is de aandacht die we hebben besteed aan de geologische totstandkoming en landschappelijke geschiedenis van het gebied. We hebben de gelaagdheid van het landschap, de ondergronden en de relatie daarvan tot het gebruik en soorten landschappen in het gebied inzichtelijk gemaakt. Dat is in onze ogen duidelijk aangeslagen bij betrokken partijen als boeren, ondernemers, gemeenten en terreinbeherende organisaties. Er is immers vaak veel binding met en liefde voor het landschap waarin je leeft en opereert. Daarmee ontstaat meer begrip van de natuurlijke systemen die van essentieel belang zijn voor het realiseren van duurzame, houdbare ontwikkelingen.”

Als resultaat van die betrokkenheid is het idee in de visie opgenomen om overgangszones in te richten tussen puur natuur en puur landbouw. “Die zones lenen zich bij uitstek voor experimenteren met het verweven van diverse functies vanuit een natuurlijke ondergrond. Zo creëer je echt ruimte voor ontwikkeling. Want op vele plekken zal juist dit verweven van functies zorgen voor het oplossen van conflicterende belangen of het samen vinden van nieuwe perspectieven”, aldus Van Dijken.

Alleen met zo’n verwevende, integrale en praktische insteek kunnen we grote opgaven zoals de energietransitie, de transitie van de landbouw succesvol aangaan, menen de betrokken landschapsarchitecten. Dijkstra daarover: “We moeten erkennen dat de natuurlijke ondergrond de basis is. En dat dit systeem zijn eigen logica heeft. De logica van die systemen zullen we moeten volgen als we ons eigen systeem houdbaar willen ontwikkelen.”