Omgevingskwaliteit eist het combineren van vele functies

| 21 januari 2015

Flip ten Cate

Flip ten Cate

Melanie Schultz richt een nationaal O-team op van architecten, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten die gemeenten zullen bijstaan bij het realiseren van ruimtelijke kwaliteit. Dat maakte zij vorige week bekend bij de feestelijke aftrap van het Jaar van de Ruimte.

Is dat slim, zo’n nationaal team op de gemeentelijke stoep?

Laten we dat eens bekijken door die andere bril van minister Schultz, die van de nieuwe Omgevingswet. Daarin legt ze steeds meer taken en verantwoordelijkheden op het gebied van de fysieke leefomgeving bij gemeentebesturen neer. Landelijke normen worden minder absoluut, gemeenten krijgen de ruimte om in het belang van een goede omgevingskwaliteit, af te wijken van dwingende voorschriften, bijvoorbeeld bij geluidhinder. En dat gebeurt, aldus de minister, vanuit vertrouwen: vertrouwen in de mensen die in de fysieke leefomgeving investeren en vertrouwen in de bestuurskracht en ambities van gemeenten.

Die keuze voor de lokale schaal is terecht. De kwaliteit van de leefomgeving wordt in de meeste gevallen bepaald door concrete ingrepen in de directe omgeving – en daar weet de gemeente meer van dan de minister. Ligt het dan voor de hand dat zij een nationaal O-team inricht? Nou, alleen als het een bovenlokale aanvulling is op gemeentelijke teams ter stimulering van de ruimtelijke kwaliteit, niet als het een uiting is van wantrouwen in de kwaliteitsambities en -capaciteiten van de gemeenten.

Behalve over vertrouwen en decentralisatie gaat de Omgevingswet vooral ook over integraliteit. Om het optimaliseren van investeringen, door verschillende belangen samen te brengen. Voor wethouders ligt het ultieme genot niet langer in het ‘faciliteren’ van een plannetje van de eerste de beste investeerder, voor hem is de opgave om van zo’n privaat initiatief een project te maken waar de hele gemeenschap wat aan heeft.

Dat is een radicale breuk met het verleden van functiescheiding en zelfrealisatie, die de basis zijn van onze ruimtelijke ordening. Een initiatief dat niet strookte met de vooraf bedachte bestemming, kon alleen via vreemde hulpconstructies (art. 19, binnen- en buitenplanse vrijstelling, postzegelpan, uitwerkingsplicht….) worden gehonoreerd. De Omgevingswet keert de zaak om: iedere plek heeft in potentie vele functies, we leggen niet van tevoren vast welk de voorkeur heeft, maar bij een belangwekkend initiatief doen we ons best om meerwaarde te creëren voor de hele gemeenschap. Van “niets mag, tenzij het expliciet is toegestaan” gaan we naar “alles is mogelijk, behalve als het expliciet (door Europa) is verboden”.

De spannende vraag is nu hoe de wethouder straks moet beoordelen of een initiatief zodanige meerwaarde heeft gekregen, dat hij op de koop toe neemt dat het plan op onderdelen misschien niet helemaal in de regels past.

Zo’n integrale kwaliteitsbeoordeling is razend moeilijk: je moet de sectorale consequenties kennen, en tegelijk voldoende professionaliteit hebben om het het eigen gelijk opzij te zetten voor de meerwaarde van het geheel. Monumentenadviseurs doen dat dagelijks in de integrale kwaliteitscommissies waarin ze bijv. herbestemming van monumenten beoordelen.

En juist hier is de Omgevingswet inconsequent: in plaats van het belang van integrale beoordeling te benadrukken wordt een ouderwetse, sectorale monumentencommissie verplicht gesteld, die louter de bescherming van het rijksmonument tot taak heeft. Die verkokerde werkwijze hebben we al twintig jaar achter ons gelaten! Niet alleen Melanie Schultz, maar ook de jongens die ruim baan voor de bouw willen (zoals onze nationale “ontslakker” Jos Feijtel, blijkens zijn blog van vorige week) kiezen voor ouderwetse sectorale monumentenbescherming. Snapt u ‘t, snap ik ‘t.

Flip ten Cate is een van de initiatiefnemers van Mooiwaarts en directeur van de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *