Omgevingswet lijkt tandeloos, maar heeft stevige kaken

| 21 januari 2021

De grote ruimtelijke opgaven vragen om een steviger optreden van de rijksoverheid. Ik geloof dat alleen enkele provinciebestuurders daar nog principieel moeilijk over doen, onder verwijzing naar hun eigen heldendaden.

Dit is de column van Friso de Zeeuw in de nieuwe editie van ROm, nr 1-2, januari-februari 2021. ROm is het maandelijkse vakmagazine voor de fysieke leefomgeving en gratis voor ambtenaren in dat domein. Word nu abonnee op het thuisadres.

In het discours wordt de discussie gemakkelijk platgeslagen, met pleidooien voor ongebreideld centralisme. Of met de fixatie op een minister van Wonen, VROM of Ruimte als heilige graal. Iets waaraan ook het College van Rijksadviseurs zich in zijn laatste advies schuldig maakt. Te vaak gaat het over het ideale takenpakket van de nieuwe minister. Sowieso niet erg zinvol omdat de knip tussen de ministeries de uitkomst blijft van de politieke tombola als afronding van de kabinetsformatie.

Wezenlijker is de zoektocht naar de balans tussen centrale sturing enerzijds en decentrale beleidsvrijheid en betrokkenheid anderzijds. Kennis en kunde moeten bij de rijksoverheid weer op peil worden gebracht als andere opgave. Organisatie, bestuursinstrumenten en financiën moeten aansluiten op de nieuwe sturingsfilosofie. Dat geldt ook voor het juridisch instrumentarium. En daar wil ik het iets uitgebreider over hebben.

In het decembernummer van ROm stellen drie Wageningse onderzoekers dat de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) tekortschiet omdat die geen bindende (door)werking heeft naar de andere overheden. Zij pleiten daarom voor herinvoering van de Planologische Kernbeslissing (PKB) die tot 2008 in de Wet op de Ruimtelijke Ordening was verankerd. Zij refereren onder meer aan de PKB’s voor Vinex, Ruimte voor de Rivier en Waddenzee. De huidige Wro en nieuwe Omgevingswet voldoen niet. Er moet een afdwingbaar juridisch instrumentarium komen.

Dat laatste klopt niet.

‘De wet bevat instrumenten die rijksbeleid wel degelijk van juridische doorzettingsmacht kunnen voorzien’

De Omgevingswet kookt in de toelichting inderdaad over van een decentrale sturingsfilosofie en de bottom-upbenadering. De basiswet stamt dan ook uit de crisisjaren 2009-2013, toen deze opvattingen alom in de mode waren. Maar pas op: de wet bevat ook een aantal instrumenten die minder in het oog lopen, maar rijksbeleid wel degelijk van juridische doorzettingsmacht kunnen voorzien. Ik noem de vier belangrijkste.

Het programma is een politiek-strategisch instrument dat primair de rijksoverheid zelf bindt, maar ook andere overheden voor zover die bij het programma zijn betrokken. Het vervangt de figuur van structuurvisie in de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro).

Instructieregels, met name het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), zijn een algemene maatregel van bestuur die de inhoudelijke rijksnormen voor overheden verankert met het oog op realisering van de nationale doelstellingen.

Met een instructiebesluit kan de rijksoverheid interveniëren in de individuele besluiten van gemeenten en provincies, dit is vergelijkbaar is met de proactieve aanwijzing uit de huidige Wro.

Met het projectbesluit kan de rijksoverheid concrete projecten (zoals infrastructuur) realiseren. Het projectbesluit vervangt het Tracébesluit, het inpassingsplan en de coördinatieprocedure.

Mij dunkt dat met een weloverwogen, gemixte inzet van deze instrumenten een prima, PKB-achtige, Nationale Omgevingsvisie Extra (NOVEX) valt te maken. Want die komt er.

Friso de Zeeuw, adviseur gebiedsontwikkeling en emeritus hoogleraar TU Delft