Op glad ijs

| 15 maart 2018

We hebben er smakelijk om gelachen. Katie Cousic van NBC meldde dat wij Nederlanders goed zijn in schaatsen omdat we onder de zeespiegel liggen, veel grachten hebben en dus schaatsen het meest voorkomende vervoermiddel is. Wat een lol! Die begaf zich op glad om er vervolgens doorheen te zakken! Nou ja eigen schuld. Als journaliste moet je natuurlijk goed beslagen ten ijs komen en niet over één nacht ijs gaan! Maar misschien hebben we iets te snel gelachen.

Waarom zijn we zo goed in schaatsen?

Hoewel deels verkeerd geïnformeerd, is haar zoektocht naar de oorzaak van het succes wel een interessante. De kernvraag in haar verhaal is: in hoeverre draagt  de inrichting van de stad en het landelijk gebied bij aan het succes in een specifieke sport? Is er een causaal verband en zo ja in welke mate draagt deze bij aan de kennis en vaardigheden die je op latere leeftijd verwerft en tot een succes weet te maken?

Als we in de geschiedenis duiken zien we dat er al schaatsen gevonden zijn uit de  13e eeuw. In de 16e eeuw verscheen de ijzeren schaats op het ijstoneel. Op schilderijen van menig oude meester uit de 17e eeuw, zoals Hendrick Averkamp, zijn ijsprettaferelen een geliefd onderwerp.

Ligt er eenmaal ijs dan binden we onze peuters, amper in staat om te lopen, de schaatsjes onder om al schuifelend het ijs te overwinnen. En zo op het ijs worden wedstrijdjes gereden, vriendjes gemaakt en een eerste kus gekregen. Schaatsen zit ons al eeuwenlang in het bloed.

Hoe draagt het landschap daar aan bij?

De ruimtelijke inrichting heeft bijgedragen aan de totstandkoming van een perfect schaatsland.

Ons vlakke land vraagt om een zorgvuldige waterhuishouding en heeft zodoende gezorgd voor talloze slootjes, vaarten en plassen om het water af- of aan te voeren. We hebben de mogelijkheid het water te reguleren. Ook de profielen van al die watergangen zijn onderwerp van aandacht.

Ik herinner me mijn lessen waterbouwkunde. Een vak dat mij en vele anderen met liefde is bijgebracht door de heer Smeding. Een bezielde Fries die zoals het een Fries betaamt een hartstochtelijke liefde voelde voor het zeilen en schaatsen. Het water zat hem in het bloed. Hij liet dan ook niet na om ons te wijzen op het ideale slootprofiel om goed schaatsijs te krijgen. Het talud, de diepte van het water, de stroming, het voorkomen van bladval, beschoeiing waarop je kunt zitten om je schaatsen om te binden;  het speelde allemaal een rol.

Maar een goed ontwerp is soms niet genoeg. Onder het motto op oud ijs vriest het licht, worden in de winter menig weiland, atletiekbaan en tennisveld ‘s nachts besproeid en omgetoverd tot ijspaleis. We hebben kunstijsbanen en skeelerbanen aangelegd om nagenoeg het gehele jaar te kunnen oefenen. De natuur moet soms een beetje geholpen worden.

De natuur moet soms even geholpen worden

Op het schilderij ‘Jagers in de sneeuw’ van Pieter Bruegel is opmerkelijk genoeg te zien dat er ook toen al kunstmatige ijsbanen werden aangelegd om tot een optimale schaatsbaan te komen. Je zou dus kunnen zeggen dat ons landschap met zijn boerenslootjes, Noord-Hollandse vaarten en vele stedelijke waterpartijen – naast de wetenschappelijke georiënteerde coachstijl van Jac Orie en zijn team – misschien wel heeft bijgedragen aan de grote oogst aan medailles in Pyeongchang.

Overigens, nog een saillant detail op het schilderij van Bruegel: er werd een aan curling gerelateerd spel gespeeld. En dat werpt de vraag op waarom curling dan geen gemeengoed is gebleven. Het ontbreken van een curlingbaan misschien? En hoe zit het met andere causale verbanden?

Hebben de vele skateboardbanen bijgedragen aan de toenemende successen van onze snowboarders, het netwerk van ruiterpaden aan het succes van Ankie van de Grunsven, dragen de Johan Cruijff voetbalveldjes bij aan de successen van Oranje? Oeps!

Nee, niet alle ruimtelijke voorzieningen leveren successen in de sport op. De talloze tafeltennistafels op speelplaatsen hebben nog geen nieuwe Bettine Vriezekoop of Li Jiao voortgebracht. En de in bijna ieder stad aanwezige basketbalveldjes hebben niet gezorgd voor een overmatige belangstelling voor die sport.  Het feit dat we beter zijn in de ene dan in de andere sport lijkt vooral door onze volkscultuur bepaald.

Betekent dit dat we beter kunnen investeren in voorzieningen die wel in onze cultuur verankerd zijn? Ach, laten we niet teveel bezig zijn met doelstellingen aan het spelen te koppelen, maar laat het genieten en ontdekken vooral leidend zijn.

Fred Bransen

Fred Bransen is als programmamanager ruimtelijke kwaliteit/consultant werkzaam bij adviesbureau Tauw