Op naar het licht!

| 8 januari 2018

Fijne tradities wortelen soms diep in de geschiedenis, maar minstens even vaak in recent en publiek aangemoedigd ondernemerschap. Zo ook het Amsterdam Light Festival. In 2012 namen onder meer een rondvaart- en waterfietsondernemer en vertegenwoordigers van de culturele sector met steun van de gemeente het initiatief tot een groot kunstzinnig evenement voor de donkerste wintermaanden december en januari. Een buitenevenement in de publieke ruimte nog wel.

Het festival is een wandel-, fiets- en vaarbare route door de stad langs lichtobjecten van meer en minder bekende kunstenaars. Naar buitenlands voorbeeld, maar beter goed gejat dan slecht bedacht. Lichtkunst met kunstlicht. Gratis voor de Amsterdammer en de toerist die wandelen wil of rolstoeltoegankelijk en betaalbaar via de rondvaartreders. Inclusiever – om maar eens een modieuze term te gebruiken – kun je cultuurspreiding niet krijgen.

Het evenement trok bij de eerste editie al een kleine vierhonderdduizend bezoekers en gaat dit jaar waarschijnlijk voor het eerst over de grens van een miljoen met kijkers langs de grachten en op het voormalige marine-terrein in het hart van de stad. Het is dus maar goed dat het initiatief zich stevig wist te vestigen, voor de Amsterdamse politiek vrijwel collectief besloot de Kip-met-de-Gouden-Eieren van het toerisme een nekklem aan te leggen.

Vestiging van ijswinkels en wafelbakkers is taboe verklaard, nieuwe kaaswinkels mogen alleen nog voor buurtkaas en niet voor toeristenkaas, er is een hotelstop, de cruiseterminal moet misschien wel de stad uit en notabene Jan Paternotte van D66 wil dat het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen geen subsidie meer krijgt voor Amsterdam promotie. Voeg daarbij de obscure bezwaren tegen kunstlicht onder het kwaadaardige frame ‘lichtvervuiling’ en het stille donker van de provincieplaats-bij-nacht naakt voor de hoofdstad, ware het niet dat het Amsterdam Light Festival inmiddels veel goodwill kent.

Het concept ‘lichtvervuiling’ is populair bij milieuorganisaties en bekende Nederlanders, waaronder veel progressieve stedelingen. De bezwaren gaan niet alleen over de verstoring van flora en fauna – die overigens steeds vaker worden ondervangen door groene buitenverlichting – maar ook over de invloed van kunstlicht op de mens.

Tijdens de jaarlijkse ‘Nacht van de Nacht’ wordt het duister gevierd en het kunstlicht op dubieuze gronden afgewezen. Over de gezondheidseffecten is men op de website voorzichtig met de constatering dat ‘in verschillende onderzoeken relaties zijn gelegd tussen lichtvervuiling, borstkanker, slaapstoornissen en stress’.

Dat het de activisten in wezen gaat om een afwijzing van de moderniteit, blijkt uit hun constatering dat licht ‘verstorend’ werkt op de mens. We zijn immers sinds de komst van de elektrische lamp gemiddeld anderhalf uur korter gaan slapen. Mystiek wordt het met een argument rond ‘het besef van de relatie tussen heelal en mens’.

Er zou sprake zijn van een ‘belangrijke erfenis die in alle culturen speelt en gespeeld heeft’. En dan vervolgt de website van Nacht van de Nacht: ‘Helaas is onze westerse cultuur als eerste bezig dit besef van de relatie tussen heelal en mens te verliezen’.

En dat allemaal omdat de sterrenhemel niet meer zo goed zichtbaar is in de stad! Een gotspe natuurlijk, want dankzij de moderne natuurkunde en astronomie is de relatie tussen kennis van het heelal en ons besef van tijd en ruimte waarachtiger dan ooit. Wie dat nog eens aanschouwelijk uitgelegd wil krijgen, moet naar het Lorenzlab in het Teylers museum in Haarlem.

Nee, de zegeningen van het kunstlicht bewaart de progressieve stedeling liever voor projecten met zonnepanelen in Afrika, waar het kunstlicht opeens goed is voor de veiligheid, hygiëne, een gezonder binnenklimaat en scholingskansen omdat na het invallen van de duisternis nog gelezen en gestudeerd kan worden.

Het zijn precies de argumenten waarmee de elektrificatie honderdvijftig jaar geleden begon en het kunstlicht in onze streken rond de Eerste Wereldoorlog aarzelend op gang kwam. De lichtkunst van nu gaat terug op de enthousiaste propaganda voor elektrificatie en kunstlicht van toen. Met lichtorgels, -fonteinen en -kathedralen werd de nieuwe tijd gevierd. En ja, ook Hitler en Stalin zouden zich overvloedig bedienen van de intimiderende mogelijkheden. De internationaal bekende kunstenaar Ai Weiwei verwijst er in zijn bijdrage aan het Amsterdam Light Festival naar.

Een beetje van dat oude vooruitgangsgeloof (en dat er wat te vieren valt) zou ons, bij de tweede elektrische revolutie die inmiddels gaande is, wel van pas kunnen komen. Ook als we in de energietransitie niet ‘all electric’ gaan, zal de omwenteling zwaar leunen op elektriciteit. Mits die werkelijk duurzaam wordt opgewekt en de duurzaamheid niet alleen bestaat in de papieren werkelijkheid van certificaten. Het Amsterdam Light Festival kan een mooie rol spelen in het begeleiden van die omwenteling en het vast een beetje vieren. Als dat straks tenminste nog mag van de Amsterdamse bestuurders.

Bas van Horn