De een kan niet zonder de ander!
Parkeerbalans en maximale plancapaciteit

| 4 augustus 2016
Daniëlle Roelands-Fransen

Daniëlle Roelands-Fransen

In het kader van nieuwe ruimtelijke plannen kan aan de hand van een parkeerbalans worden vastgesteld in hoeveel nieuwe parkeerplaatsen moet worden voorzien. Aandachtspunt hierbij is dat wordt uitgegaan van hetgeen een bestemmingsplan maximaal planologisch mogelijk maakt. Doe je dat niet, dan is de kans dat je plan het niet haalt bij de bestuursrechter heel groot. Twee tussenuitspraken over bestemmingsplannen in het Stationsgebied van Utrecht, illustreren dit heel helder.

Afwijkingsbevoegdheid en maximale plancapaciteit?
In het bestemmingsplan ‘Zuidgebouw Stationsgebied’ was de raad uitgegaan van een parkeerbalans waarin alle bestaande en nieuw te realiseren functies waren meegenomen met uitzondering van de in het bestemmingsplan opgenomen mogelijkheid om voor 10% van alle gegeven maten, afmetingen en percentages af te wijken. De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid de parkeerbehoefte kan wijzigen. Nu dit niet inzichtelijk is gemaakt, is onvoldoende gemotiveerd dat de parkeerbehoefte op de juiste wijze is berekend. Evenmin is inzichtelijk gemaakt dat door de onjuiste berekening de parkeerbehoefte van het voorziene Zuidgebouw niet is onderschat.

Specifieke parkeernorm voor specifieke functie
In het bestemmingsplan ‘Noordgebouw Stationsgebied’ had de raad ervoor gekozen om voor de mogelijk gemaakte 1.000 m2 vergader- en congresfaciliteiten uit te gaan van de minimumparkeernorm voor kantoren. De Afdeling acht dit evenwel onvoldoende onderbouwd. Weliswaar stelt het gemeentelijke parkeerbeleid dat in de binnenstad mag worden aangesloten bij een minimumparkeernorm, de Afdeling stelt vast dat daarbij wel moet worden aangesloten bij de toepasselijke functie. Nu voor de vergader- en congresfaciliteiten was aangesloten bij de minimumparkeernorm voor regulier kantoorgebruik, had de raad onvoldoende gemotiveerd dat de parkeerbehoefte van het Noordgebouw op de juiste wijze was berekend.

Op dezelfde wijze als voor het Zuidgebouw, oordeelde de Afdeling bovendien ook ten aanzien van het bestemmingsplan voor het Noordgebouw, dat ten onrechte in de parkeerbalans niet was uitgegaan van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid als gevolg waarvan de parkeerbehoefte kan toenemen.

Parkeernormen koppelen aan bouwen of gebruiken?
Hoewel de uitspraak hier niet heel diep op ingaat, wordt wel een interessante beroepsgrond aangestipt. Hoog Catharijne B.V. – die vreest voor de aanleg van de weinig parkeerplaatsen – voert in beroep aan dat de in beleidsregels neergelegde parkeernormen, in de planregels alleen zijn gekoppeld aan een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ en niet aan de activiteit ‘gebruiken’. Hoog Catharijne B.V. meent dat de parkeerregeling ook van toepassing moet zijn op toekomstige wijzigingen in het gebruik, nu die wijzigingen kunnen leiden tot een hogere parkeerbehoefte. De Afdeling bestuursrechtspraak gaat niet inhoudelijk op deze beroepsgrond in maar overweegt dat de vraag aan welke parkeernormen moet worden getoetst, in de procedure over de omgevingsvergunning strijdig gebruik aan de orde zal komen. De Afdeling volgt hier de redenering dat nu dit niet in het bestemmingsplan is geregeld, de beroepsgrond geen inhoudelijke bespreking behoeft.

Hoewel de gemeente Utrecht voor dit onderdeel dus goed wegkomt met de tussenuitspraak, biedt de beroepsgrond wel aanleiding om de betreffende planregel nog eens goed tegen het licht te houden. Ik denk dat de gemeente er verstandig aan doet om de planregel overeenkomstig de beroepsgrond ook van toepassing te laten zijn op  de activiteit ‘gebruiken’. Dit voorkomt dat in de toekomst bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning vastgesteld moet worden dat er geen basis is om de parkeerbehoefte die gepaard gaat met het strijdige gebruik, aan te toetsen. Nu beide bestemmingsplannen op onderdelen gerepareerd moeten worden, is raadzaam om dit onderdeel daarin meteen mee te nemen!

Deze twee tussenuitspraken tonen dat het parkeervraagstuk in binnenstedelijke context en volwaardig onderdeel vormt in het kader van de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Met de Reparatiewet BZK dienen bestemmingsplannen bovendien een parkeerregeling te bevatten als basis voor het toetsen van aanvragen om omgevingsvergunning. Als te lichtvaardig met het parkeervraagstuk wordt omgegaan, kan dat in een eventuele juridische procedure duur komen te staan. Voorkomen is dus beter dan genezen!

Bronnen:
Afdeling bestuursrechtspraak 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2111
Afdeling bestuursrechtspraak 27 juli 20156, ECLI:NL:RVS:2016:2077

Daniëlle Roelands-Fransen
Pels Rijcken

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *