Plastic is een prachtproduct

| 10 januari 2019

Een strand vol My Little Pony’s, Ikeakrukjes en autovelgen. Het futiele van de spullenmaatschappij is zelden treffender in beeld gebracht. Kunststoffen klonteren ondertussen gestaag samen in de oceanen. En dan heeft de plasticvanger van Boyan Slat ook nog een gebroken arm. Wordt de soep dan heus zo heet gegeten?

Jawel. Dolfijnen, vissen en vogels raken verstrikt in kapotte visnetten en -lijnen. Oude scheepstrossen, jerrycans (scheepvaart en visserij zijn grote boosdoeners) en plastic tasjes (vlak onszelf niet uit) vallen uiteen in kleine stukjes die eruitzien als voedsel. Dieren sterven met een volle maag. Ze zitten vol wattenstaafjes, frisdrankdoppen en vingers van werkhandschoenen.

Plastics goed voor het milieu

En toch is plastic een prachtproduct. Ook voor het milieu. Ik word niet gesponsord door de petrochemische industrie, maar het is wel eens goed om de zegeningen te tellen van ‘kunststof’ (toen plastic niet meer kon vonden marketeers kunststof uit). Oké, het wordt gemaakt van olie, het is dus fossiel, eindig en op den duur uit den boze, maar tot die tijd…

Dankzij plastic verpakkingen en folies is de hygiëne verbeterd en de houdbaarheid van verse producten vergroot. We gooien daardoor weinig weg en verspillen minder voedsel. De lichte en sterke plastic verpakkingen kosten maar weinig grondstoffen en zijn eenvoudig te vervoeren. Dat scheelt heel wat broeikasuitstoot. Het plasticafval wordt ook beter recyclebaar. En zo niet (het blijft lastig met al die soorten kunststof) dan brandt het prima in afvalovens die vanwege de biobijstook wel wat extra’s kunnen gebruiken om op temperatuur te blijven.

Microplastics: hoe erg is dat?

Plastic is voorlopig dus prima spul, het moet alleen niet rond gaan zwerven en in zee belanden. Dat doet het nu wel en richt daar – als gezegd – veel onheil aan. En volgens de communis opinio zelfs voor de eeuwigheid, want plastics zouden niet afbreekbaar zijn. Dat nu lijkt mee te vallen. Afgelopen voorjaar promoveerde Ellen Besseling aan de Universiteit Wageningen (WUR) op een proefschrift rond de vraag: hoe erg zijn microplastics nu echt?

Plastics zijn niet of nauwelijks biologisch afbreekbaar, maar vallen uiteen in steeds kleinere stukjes. Tot het micro- of nanodeeltjes zijn die opgenomen worden door kleine organismen die weer gegeten worden door grotere organismen tot de walvissen aan toe. Maar hoe erg is dat? Zand wordt ook niet biologisch afgebroken en komt in de vorm van ultrakleine deeltjes (silica) in organismen terecht.

Het verschil zou zijn dat plastics giftige chemische stoffen bevatten of opnemen die daarmee in de voedselketen terecht komen. Dat klopt, bleek uit de modelberekeningen van Besseling. Maar ze voegt daaraan toe dat die stoffen vaak al uit andere bronnen – zoals het zeewater zelf – in grotere hoeveelheden worden opgenomen. Het is dus de vraag of het uitmaakt of je nu microplastics of microzand binnenkrijgt.

Haai in de verkeerde tijd geboren

Enfin, zwerfplastic richt een hoop ellende aan. Maar er is hoop. Wie straat- en slootbeelden ziet van onze leefomgeving in de jaren zeventig van de vorige eeuw, weet dat we nu in een keurig aangeharkt land leven waaruit het meeste (plastic) zwerfvuil verbannen is. Dat komt dus ook niet meer in zee. En omdat de rest van de wereld eveneens welvarender/beschaafder wordt, lijkt het niet onredelijk om te denken dat het probleem ook elders te temmen zal zijn. Het zwerfplastic is dus vooral vervelend voor de meeuw, de zeehond en de haai die in de verkeerde tijd geboren is. Zij verslikken zich in elastieken, vistuig en kleine, plastic paardjes met lange manen die nog niet tot microdeeltjes vervielen. De rest wordt sediment dat ooit ontdekt zal worden onder de lagen van nieuwe plagen.

Bas van Horn