Rijkscommissaris voor de Inkwartiering

| 17 april 2019

Op 4 april jl. werden de nieuwe cijfers van het omvangrijke WoON-onderzoek 2018 bekend gemaakt. Ter gelegenheid van die presentatie was er een groots opgezet symposium in Den Haag in de Fokkerhallen. Eén de sprekers tijdens die bijeenkomst was Floris Alkemade, de Rijksbouwmeester. Terwijl opnieuw zonneklaar bleek uit de nieuwe onderzoeksresultaten dat het gros van de ouderen niet wenst te verhuizen uit hun bestaande (vaak eengezins)woning, beweert Alkemade doodleuk dat dat wel het geval is. ‘We moeten leren de cijfers met andere ogen te bekijken’ is zijn stelling en komt dan met een slordig verhaal over het gegeven dat we met steeds minder personen meer ruimte innemen en kleiner gaan wonen.

De hardnekkigheid van de beleidsmakers en adviseurs om hun zin door te drijven, is ongekend. Alles wordt erbij gesleept, maar het komt er op neer dat ze de woonwensen van mensen niet serieus nemen. Opnieuw blijkt uit dit onderzoek dat mensen die beslist wensen te verhuizen veruit de voorkeur geven aan een eengezins- en grondgebonden woning. Dat geldt voor jongeren én voor ouderen, voor grotere huishoudens én voor alleenstaanden. Maar keer op keer weet de beleidselite het debat op het verkeerde been te zetten. Wanneer respecteren we die wens nu eens? Of op z’n minst: wanneer erkennen we die wens nu eens?

Keer op keer weet de beleidselite het debat op het verkeerde been te zetten

Erkennen betekent niet automatisch: tegemoetkoming aan die wens. Maar heb dan het lef om te zeggen: los van wat ze écht willen, gaan we mensen verplichten in appartementen te wonen. Maar die lef ontbreekt. In tegendeel: er wordt alsmaar gesuggereerd dat mensen hun eigen woonwensen niet goed kunnen formuleren en dat ze eigenlijk iets anders willen. Dan komen de toverformuleringen op tafel als: achter de cijfers kijken, met andere ogen naar de cijfers kijken, mensen weten niet wat ze missen, we moeten mensen verleiden.

De framing van het grote aantal ouderen met de ‘enorme consequenties voor de woningvraag’ (quad non) gaat hand in hand met de framing  van eenpersoonshuishoudens. De cijfers over de groei van dit type huishoudens vliegen ons om de oren, alsof de grootste rampspoed ons bedreigt. In 2030 hebben we 3,5 miljoen eenpersoonshuishoudens tegenover 3 miljoen nu, zo wordt dreigend voorspeld. Oh ja? Wat is er eigenlijk aan de hand?

De beleidselite vindt dat we kleiner moeten gaan wonen

In 1970 hadden we nog geen 700.000 eenpersoonshuishoudens. De groei van deze 700.000 toen naar 3 miljoen nu was spectaculair. Maar dat is bijna geruisloos door de woningmarkt verwerkt. Zouden we nu dan moeten schrikken van een groei van ca. 500.000 eenpersoonshuishoudens tot 2030? Gegeven de voorkeur van ook veel eenpersoonshuishoudens voor een eengezinswoning, is er helemaal geen sprake van een ‘totaal ander woonwensbeeld zoals de Rijksbouwmeester ons wil doen geloven.

De beleidselite vindt dat we kleiner moeten gaan wonen. En ze duwen de mensen die richting in. Zelf wonen ze meestal riant. Op dat grote symposium ter gelegenheid van het Woon 2018  werd de aanwezigen gevraagd wie van een aanwezigen niet zelf in een grondgebonden woning woonde: een paar vingers gingen omhoog. Het wordt tijd dat we de framing doorprikken. En de Rijkbouwmeester omdopen in Rijkscommissaris voor de Inkwartiering.

Jos Feijtel
joz.feijtel@gmail.com