Ruilverkaveling voor energie

| 27 september 2018

 

 

 

Als we de energie uit kolencentrales vaarwel zeggen, moeten we alternatieven hebben, bijvoorbeeld windmolens of zonnepaneelvelden. Maar het is de afgelopen jaren duidelijk geworden dat mensen dat vaak landschapsvervuiling vinden en deze oplossingen liever niet in hun buurt hebben. Dus pleit Boris Hocks van Generation Energy voor het ontwerpen van nieuwe landschappen waarin de energieproductie geen vreemde eend in de bijt is maar een integraal onderdeel.

Dit artikel is afkomstig uit Landwerk #2 / 2018

Door: Geert van Duinhoven

In een van de eerste lezingen die Boris Hocks van Generation Energy gaf over de ruimtelijke implicaties van de energietransitie, legde hij al het verband met de ruilverkaveling. In zijn ogen is de opgave voor de energietransitie vergelijkbaar met de opgave uit de jaren vijftig en zestig om Nederland van voldoende voedsel
te voorzien. En misschien zelfs vergelijkbaar met de eeuwen van de grote droogmakerijen en het ontstaan van het polderlandschap. Deze ruimtelijke ingrepen zijn beide gestart vanuit een sociaal economisch perspectief: eten. Maar er is weerstand tegen het bouwen van windmolens, het aanleggen van zonneparken. In de praktijk willen mensen liever niet geconfronteerd worden met de nieuwe vormen van energieopwekking. Veel gehoord argument: het past niet in dit landschap. We houden van dit landschap dus moeten we het zo houden.

Verdeelsleutels

Per maatregel is vervolgens bekeken wie er gaat betalen. ‘Dat een brug te laag wordt, ligt voor honderd procent aan de bodemdaling door delfstofwinning en dan betaalt Frisia of Vermilion dat. Zo hebben we voor ruim vijftig verschillende maatregelen verdeelsleutels afgesproken, dus ook voor watergangverbreding en fietspaden. Die sleutels zijn hard, ze zijn van meet af aan heilig verklaard. Daar is niemand ooit meer op teruggekomen.
Want anders trek je opeens alle afspraken op

en en dat wilde niemand. Verder hebben we afgesproken dat de complete uitvoering onder regie van de provincie plaatsvindt, en zo onder één financieel beheer valt. Dan is niet het waterschap met een gemaal aan de slag of de gemeente met een fietspad. Ook de kavelruil waar we momenteel de voorbereidingen voor treffen, valt onder hetzelfde projectbureau. Zo voorkom je dat er soms toch weer ergens twee keer gewerkt wordt of er toch niet goed wordt afgestemd. Die centrale aansturing werkt zeer goed. Zo houdt iedereen het overzicht en houd je een centraal aanspreekpunt voor bewoners en bedrijven.'(Beeld rechts: Boris Hocks, Generation.Energie. Bron: Posad.nl)

Exoten

Hocks: ‘Sommige argumenten zijn super terecht, en sommige bijzondere gebouwen of historische winmolens moet je vooral laten zoals ze zijn. Het fascinerende is natuurlijk wel dat het gaat om landschappen die we tijdens ruilverkavelingen hebben gemaakt. Blijkbaar zijn we heel goed in het maken van aantrekkelijke landschappen.
Drenthe is bijvoorbeeld heel geliefd bij toeristen maar is wel grotendeels tot stand gekomen in landinrichtingen en ruilverkavelingen. Dan is het inderdaad niet fraai om daar zomaar overal windmolens neer te zetten als een soort exoten. Dus ik denk dat we de uitdaging aan moeten gaan om de landschappen opnieuw te gaan ontwerpen. Nieuwe landschappen waar energie een integraal onderdeel van uit maakt. De opgave is dusdanig groot dat je er niet meer komt met alleen het inpassen er van.
En natuurlijk is het in de vorige ruilverkavelingen niet altijd goed gegaan maar daar kunnen we van leren. Dus moeten we goed luisteren naar de mensen in een gebied. En we moeten de nieuwe functies en nieuwe inrichting zorgvuldig afwegen tegen datgene wat er verdwijnt. Maar dan kan de ruilverkaveling denk ik een prachtig instrument zijn om mensen een comfortabel landschap te geven waarin je al die wensen en functies ruimte te geven.’

Uitruilen van functies

Hocks heeft in een aantal gebieden al min of meer geëxperimenteerd met een ‘ruilverkaveling nieuwe stijl’. In regio’s ging hij met groepen mensen in een spelvorm aan de slag die de energiebehoefte van de regio moesten invullen door deze een plaats te geven in het gebied. “In een eerste variant laten we zien wat er gebeurt als je de groei van het aantal windmolens en zonneparken autonoom laat plaatsvinden. Een tweede variant is om de energieproductie vorm te geven aan de hand van bestaande
structuren in het landschap, bijvoorbeeld langs wegen of watergangen. En een derde is: Kun je een landschap maken dat we graag willen hebben? Dit laatste scenario
wordt vaak enthousiast ontvangen en mensen gaan ruimte zoeken voor de energieproductie maar ook voor en in combinatie met alle andere functies. En ze benoemen dat er een belangrijke molen staat en dat een deel van het landschap heel bijzonder is. Natuurlijk moeten die dan blijven, maar dat is dan een heldere keuze. Mensen gaan in deze sessies aan de slag met het invullen van functies in het landschap zodat er een prettig en aantrekkelijk landschap over blijft. En daar hoort het uitruilen van functies natuurlijk bij en in feite ben je dan bezig met een soort ruilverkaveling. We merken dat deze manier van werken het debat opent over het landschap. Wat willen we hier wel en wat niet, er van uitgaande dat de energiebehoefte van de regio ook in diezelfde regio wordt opgewekt. Misschien is dat gesprek nog wel het belangrijkste in deze sessies. Mensen maken helder wat ze waarderen aan een landschap, wat ze echt belangrijk vinden. Het grappige is dat de discussie dan meteen op gang komt over de vraag wat een logisch landschap en grondgebruik is. Mensen leggen dan op tafel dat het eigenlijk ook veel logischer is om bepaalde teelten in een andere hoek van de regio te concentreren vanwege bijvoorbeeld de bodemsoort. Je moet het misschien altijd meteen over ruilverkaveling hebben maar het is wel goed om te noemen dat het instrument in het verleden wel het landschap heeft gebracht dat we nu waarderen.”

Gestript

‘En heel belangrijk is dat je op deze manier ook de landbouw vooruit kan helpen. Die zit vaak ook al redelijk klem vanwege regelgeving, ammoniak, bodemdaling, veenafbraak. Dat is allemaal niet houdbaar op de lange termijn, dus de landbouw kan in dit proces veel winst behalen. Dus het moet ook echt hun instrument zijn en niet alleen van de energiesector. Energietransitie kan zo een bijdrage leveren aan andere opgaven.’ Deze werkwijze sluit wat Hocks betreft heel mooi aan bij het idee van de regionale energiestrategieën die er straks moeten gaan komen. ‘Daar zullen we per gebied, per regio moeten gaan nadenken over wat we willen en hoe de energieproductie er uit moet gaan zien. Dat is uiteraard wel een nieuwe manier van werken want de afgelopen jaren is de ruimtelijke ordening in Nederland redelijk ver gestript en is het niet erg gebruikelijk om met visies te komen. Bij het Deltaprogramma is dat nog wel gedaan en je ziet hoe goed het werkt als meerdere doelstellingen combineert, in dat geval veiligheid en ruimtelijke kwaliteit. Energie is misschien nog wel ingrijpender en dus zal het gehele Nederlandse landschap er mee te maken krijgen. In de Nationale omgevingsvisie zit al wel een ambitie voor ruimtelijke kwaliteit want ministeries en provincies realiseren zich wel dat er een enorme opgave is. Alleen maar roepen dat er een transitie nodig is, is niet genoeg.’

(beeld onder: Klimaat Energie Ruimte

Petajoule?

Nu hebben we in Nederland wel ook negatieve ervaring met een soortgelijk instrument, de Reconstructie van de zandgebieden. Veel mensen aan tafel, dikke boekwerken met visies en ideeën, maar van uitvoering is weinig terecht gekomen. ‘Van fouten kun je leren. We hoeven niet iedereen altijd aan tafel te hebben. Wel moeten we in grote lijnen samen bedenken wat een goede richting is. Als denkmethodiek, als ontwerpend onderzoek, vang je dat soort fouten misschien al op. Zorg vooral voor een meerdere doelstellingen bijvoorbeeld ruimtelijke kwaliteit, gezondheid, leefbaarheid en energie zodat er voor iedereen winst is te behalen’.

‘En we moeten zorgen voor een gelijk niveau aan kennis. Iedereen die mee doet aan de debatten moet de nodige kennis tot zij beschikking kunnen hebben. Dat helpt de discussie vooruit. We hebben het over een petaJoule. Maar wat is dat? Een windmolentje? Een grote windmolen? Een hectare zonnepanelen? Zo’n vocabulaire moet verankerd zitten in een ruilverkaveling. Iedereen moet de spelregels kennen. De technische achtergrondkennis heeft een aantal bureaus samen met de Wageningen Universiteit gebundeld. Dus als iemand in de discussie roept: kunnen we niet alles op zee doen, laat het boek zien wat at voor implicaties heeft. Of als iemand zegt: laten we alles consenteren in de Flevopolder, kun je laten zien of dat voldoende is en welke ruimtelijke weerslag een bepaalde techniek heeft op dat landschap.’