Ruimte, inkomen en achterstand

| 20 november 2020

Achterstandswijken ontstaan mede als de ruimte niet goed is geordend. Dus is het ook een taak voor de ruimtelijke ordening om een einde te maken aan achterstandswijken.

Is er in deze redenering sprake van ruimtelijk determinisme? Welnee! Natuurlijk zijn er verschillende oorzaken voor kansenongelijkheid die interfereren en elkaar soms versterken. Denk aan de Parijse banlieues of, dichter bij huis, grote delen van de naoorlogse uitbreidingsgebieden in Nederland. Maar als mensen de keuze hebben bepaalde wijken links te laten liggen, zijn het per definitie de kansarmere groepen die deze wijken uiteindelijk zullen gaan bevolken, met probleemaccumulatie tot gevolg. Het niet willen zien van ruimtelijke component is de kop in het zand steken.

Interessant wat de ruimtelijke component betreft, is het recente onderzoek van de Erasmus School of Economics waarvoor econoom Bastian Ravesteijn en collega’s gegevens over de inkomens analyseerden van ruim een miljoen Nederlandse dertigers die geboren zijn tussen 1982 en 1987.

Maakt het uit op welke plek in Nederland je geboren bent?

Prachtig onderzoek, vooralsnog resulterend in statistische relaties! De oorzakelijkheid is doel van vervolgonderzoek. Mij troffen twee bevindingen. De eerste is dat als je geboren bent in een huishouden met een laag inkomen je eigen inkomen beduidend hoger is op het Groningse platteland vergeleken met lage inkomensgroepen in Amsterdam. De tweede dat als je in Landgraaf (Limburg) in de laagste inkomensklasse bent geboren, je dan jezelf amper kunt onttrekken aan die laagste inkomensklasse. In Landgraaf ben je het slechtste af. Hoe kan dat?

Vele verklaringen doen in de verschillende media de ronde. Wat betreft de eerste bevinding is er wel geopperd dat in Amsterdam de laagste inkomensgroepen voor een groot deel gevormd worden door groepen met een etnische achtergrond. Die wonen geclusterd en gesegregeerd in bepaalde delen van de stad. Die segregatie zorgt ervoor dat er draagvlak is voor specifieke op de groep gerichte voorzieningen, bijvoorbeeld sportverenigingen. De peer group bestaat uit personen met eenzelfde sociaaleconomische achtergrond. Daaraan is het moeilijk zich te onttrekken, zo is de hypothese.

In Groningen zijn er relatief weinig bewoners met een etnische achtergrond en zijn de laagste inkomensgroepen autochtone Groningers. Ze doen wat betreft verenigingen en voorzieningen gewoon mee met de andere inkomensgroepen in ‘het dorp’. Je kunt je gemakkelijker optrekken aan groepen uit hogere inkomenscategorieën.

Maar Landgraaf dan? Dat zijn toch ook autochtonen? Landgraaf is hartje Oostelijke Mijnstreek, waar de recessie na de mijnsluitingen genadeloos heeft toegeslagen en over meerdere generaties is ‘uitgesmeerd’. In een artikel in de Volkskrant werd geopperd dat de ‘aard van de Limburger’ debet zou zijn aan de persistentie in de lager inkomensgroepen. De verzorging door mijn en kerk van de wieg tot het graf zou een flegmatieke landsaard tot gevolg hebben gehad. Limburgers zouden ook niet bereid zijn tot verhuizing naar waar wel werk voorhanden is.

Het eerste is tot op zekere hoogte waar, het tweede onzin. De hoger opgeleide mijnwerkers (bovengronders, beambten) zijn wel degelijk vertrokken naar nieuwe banen elders in Nederland. Maar de goed betaalde, zij het amper opgeleide ondergronder (de ‘echte mijnwerker’) kon simpelweg nergens naar toe met zijn ervaring. Ook niet toen de werkgelegenheid naar hen toe kwam (ABP, CBS, DAF). De enige optie was werken in de mijnen in Duitsland en België, wat ook gebeurde. Er resteerde dus een grote groep perspectiefloze Limburgers, die relatief groter werd door de brain drain van Limburgse jongeren die in de jaren ’70 en ’80 elders in het land gingen studeren en niet meer terugkeerden naar Landgraaf vanwege het gebrek aan banen. Maar voetballen bleven de achterblijvers, op de fanfare werd niet beknibbeld. Carnaval de jaarlijkse uitlaatklep. Maar vooral met elkaar!

Zorg dat een buurt fysiek en functioneel onderdeel uitmaakt van de ‘stad’

Ik zie uit naar het vervolgonderzoek. Maar de volgende stelling wil ik alvast poneren: we moeten direct overgaan tot de kern van de zaak: verbinden! Fysiek verbindingen met andere delen van stad en regio, economische verbindingen met bedrijven in de onmiddellijke omgeving, sociale verbindingen door confrontatie met ‘vreemden’ in de openbare ruimte, op sportvelden en met name in het onderwijs.

Zorg dat een buurt fysiek en functioneel onderdeel uitmaakt van de ‘stad’. Geef bewoners alle kansen deel te nemen aan de sociaaleconomische dynamiek van ‘de stad’. Want hoe je het ook wendt of keert, de stad blijft de emancipatiemachine bij uitstek. Zonder die verbindingen en kansen kunnen bewoners alleen maar terug vallen op de malaise in de ‘eigen buurt’, de afremmende ‘eigen vrijetijdsvoorzieningen’, de sociaal dwingende ‘eigen culturele verbanden’. Dan blijkt de emancipatiemachine weliswaar om de hoek (in het geval van Landgraaf zijn dat Aken en Maastricht), maar blijft onbereikbaar ver weg.

Jos Gadet

Hoofdplanoloog Gemeente Amsterdam