Sociale cohesie en buurten

| 8 mei 2019

Neemt de sociale cohesie in buurten af? Jazeker, volgens velen, en dat baart hen zorgen. Krantenkoppen wijten deze teloorgang aan het gentrification proces dat kenmerkend is voor de grote stad. Als ik voor mezelf een beeld wil schetsen van wat sociale cohesie eigenlijk is, zie ik mijn moeder als jong meisje met zussen en broers, buurmeisjes en –jongens, op een zwoele zomeravond begin jaren ’50 op de stoep voor haar ouderlijke woning zitten, met haar mondharmonica spelende vader en zingende buurmannen en –vrouwen zittend op stoelen. Dat beeld is gesitueerd in Mariadorp, in 1913 gebouwd als arbeiderskolonie voor werknemers van de nog steeds bestaande zinkwitfabriek van Eijsden. Mariadorp was toen gedrapeerd rond het voetbalveld van S.V.M.E. Iedereen in het dorpje kende elkaar, hielp elkaar, controleerde elkaar en elkaars kinderen, en wisselde groenten uit elkaars moestuinen uit. Achterdeuren stonden altijd open.

Mijn moeder verhaalt er nog met grote weemoed van. In haar verhalen herken ik ook mijn eigen jeugd: eeuwig rondhangen op het voetbalveld, iedereen uit het mijndorp waar ik geboren ben, kende me, en ik kende iedere dorpsgenoot. Angst had je niet, de boodschappen werden opgeschreven in het boekje van de kruidenier, de rekeningen werden eens in de week betaald. Voetballen was een alledaags feest, de twee kermissen en carnaval de jaarlijkse hoogtepunten.
Drie variabelen spelen bij die sociale cohesie een cruciale rol:
(1) homogene bevolkingsgroepen, in de beschreven dorpen arbeiders van de Zinkwit of mijnwerkers met eenzelfde sociaaleconomische status);
(2) traditionele gezinshuishoudens, en
(3) beperkte vrijetijdsmogelijkheden. In de Amsterdamse Jordaan of de Haagse Schilderswijk zal het in die dagen niet anders zijn geweest.

Het sociale netwerk neemt niet af, maar verspreidt zich over de stad

Rond de jaren ’70 van de vorige eeuw verandert dit en neemt de welvaart en daarmee de mobiliteit toe, evenals de verruiming van de vrijetijdsmogelijkheden, ook buiten de eigen woonbuurten. Bijgevolg neemt de territoriale binding af en verwordt de buurt tot een ‘ijle zone’, zo concludeert de sociograaf Sjoerd Groenman in zijn publicaties uit die tijd. Huishoudens concentreren zich meer op de eigen woning en op (stads)centra met een omvangrijk en veelsoortig voorzieningenbestand. Het gezamenlijk zingen op de stoep is passé.
In de daaropvolgende jaren ’90 stelt de Duitse socioloog Opaschowski dat Freizeit zum Lebensideal geworden ist. En dan gaat het rap. Groei van het aantal eenpersoonshuishoudens in steden, vrouwenemancipatie (het traditionele gezin verdwijnt nagenoeg), hoger opleidingsniveau en continue welvaartsstijging vergroten de uithuizigheid en actieradius. Uit de helaas afgeschafte maar onvolprezen tijdbestedingsonderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau van rond de eeuwwisseling blijkt dat mensen veel minder bij elkaar over de vloer komen maar elkaar ontmoeten in het publieke in- en exterieur. Die trend zet zich nog steeds door blijkens de overvolle parken, bomvolle restaurants en cafés. Contacten worden niet langer alleen in het woondomein gezocht en onderhouden, maar in de gehele stad.  Het sociale netwerk neemt niet af, maar verspreidt zich over de stad.

’Dankzij gentrification leven de stadsbuurten langzaam weer op’

De opkomst en inmiddels bijna honderd procent dekkingsgraad van smartphones onder de bevolking vergroot de contactenrijkdom en versterkt de uithuizigheid nog meer. Het aantal vrienden onder de jonge bevolkingscohorten die met de smartphone opgroeien, is vele malen groter dan eerdere cohorten, het aantal face to face contacten neemt navenant toe, en voor het merendeel ontmoet men elkaar in het publieke domein. Voor anderen is niet de woonbuurt, maar de urban fabric de alledaagse habitat geworden. Sociale cohesie wordt sociaal steviger, maar ruimtelijk losser. Stadscentra worden groter.

Helaas, vooral ouderen zijn ontegenzeggelijk de kinderen van de rekening geworden. Er is simpelweg niemand meer om op de stoep voor het huis te zingen.

Niet gentrification is de oorzaak van lossere sociale verbanden in de directe woonomgeving. Dat laatste is het gevolg van de hier boven geschetste sociaaleconomische dynamiek die vanaf midden jaren ’60 inzet. Sterker nog, dankzij gentrification leven de stadsbuurten langzaam weer op. Gentrifiers ‘eisen’ namelijk voorzieningen ‘om de hoek’. Zij vormen draagvlak en draagkracht van (nieuwe) buurtvoorzieningen. Ook ondernemers identificeren zich in toenemende mate met hun buurt, en gebruiken de topografische benaming van hun buurt in hun branding. Ik volg de Duitse geograaf Klaus Brake instemmend als hij stelt dat de buurt gemengder wordt, niet meer alleen woonbuurt is, maar ook plek voor werk, voorzieningen, vrije tijd en zorgfuncties (school, kinderopvang).
Kortom, sociale cohesie in stadsbuurten zal toenemen.

Jos Gadet
J.Gadet@amsterdam.nl