Stad van kleine en grote gebaren

| 29 oktober 2020

Berlijn is een populaire reisbestemming voor Nederlandse architecten en planologen. Geen enkele andere stad in Europa is de afgelopen dertig jaar zo op zijn kop gezet als de Duitse hoofdstad. Wie er even niet is geweest, verbaast zich bij een volgend bezoek steevast over alle nieuwe gebouwen, parken en S-Bahnverbindingen. Zelfs het nieuwe vliegveld kwam na jarenlang geblunder deze week gereed.

Ik had het geluk dat ik er nog voor het negatieve reisadvies weer even was. Zo kon ik twee inspirerende exposities over stedenbouw bezoeken die de stad dit najaar organiseert ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de metropool Gross Berlin. Voor de meest prestigieuze tentoonstelling was het gereconstrueerde Kronprinzenpalais op Unter den Linden afgehuurd. Op drie verdiepingen passeerden alle grote verbouwingen van de afgelopen eeuw die de stad zijn huidige gezicht hebben gegeven. De moderne Wohnsiedlungen van Walter Gropius en Bruno Taut uit de jaren twintig, de aanleg van uitgestrekte Volksparken, de realisering van wetenschapsclusters in Adlershof en Charlottenburg en niet te vergeten de bouw van tientallen nieuwe S-Bahnstations en vier vliegvelden: het kwam allemaal voorbij.

Zonder al deze miljarden kostende ingrepen had de stad in de 21ste eeuw nooit het globale gevecht om talent en kennisintensieve bedrijven aan kunnen gaan. Daar heb je toch een zekere massa voor nodig. Maar dat ze is uitgegroeid tot start-up mekka en favoriete woonplek van tienduizenden jongeren uit Europa en Amerika is eerder te danken aan al die honderden kleinschalige initiatieven van eigenwijze burgers en ondernemers die de stad spannend en aangenaam leefbaar hebben gemaakt.

Het zijn stuk voor stuk aanstekelijke initiatieven die een ander, kleinschaliger beeld van stadsontwikkeling laten zien

Over die stadsontwikkeling van de kleine maar onmisbare gebaren was in een van de grootste gebouwen van de stad, de voormalige terminal van luchthaven Tempelhof, een caleidoscopische expositie ingericht. Dwalend tussen metershoge informatieborden en kijkend naar filmfragmenten uit alle hoeken van Europa zag ik hoe bewoners van een verloederde stadswijk in Liverpool met het planten van bomen en verven van gevels hun buurt er weer bovenop hadden gekregen. Ik las het verhaal over zeven idealisten uit het Oekraïense Iwano-Frankiwsk die vanuit hun restaurant lokale netwerken hadden opgebouwd en buurtinitiatieven financieel ondersteunden. En de gebruikers van een drukbezochte stadstuin op een braakliggend terrein in Brussel-Noord legden nog eens uit hoe deze groene oase bewoners van een naastgelegen achterstandsbuurt dichter bij elkaar had gebracht.

Het zijn stuk voor stuk aanstekelijke initiatieven die een ander, kleinschaliger beeld van stadsontwikkeling laten zien dan de grootschalige projecten uit het Kronprinzenpalais. De grote ingrepen en kleine gebaren worden in debatten over stedenbouw vaak tegenover elkaar gezet, maar deze exposities maken duidelijk dat ze eerder een symbiotische tweeling zijn. Zonder voldoende massa kan een stad niet overleven. Maar een plek is weinig waard als die voor zijn bewoners onvoldoende aantrekkelijk en inclusief is. Berlijn is daar zelf misschien wel het beste voorbeeld van.

Jaco Boer (@jaco_boer)