Startups en volkshuisvesting: ruimte voor een nieuwe economie

| 4 november 2015

Jos Gadet

Jos Gadet

In de hoogtijdagen van de industrialisatie verlieten de op extensief ruimtegebruik gefixeerde bedrijven de stad en suburbaniseerden de werknemers met hun gloednieuwe auto’s mee. Met de hedendaagse op interactie en face to face gerichte kenniseconomie worden stedelijke dichtheden belangrijk en stromen sommige steden weer vol. Waarmee maar gezegd wil zijn dat transformaties in de economie gepaard gaan met veranderingen in stedelijke verschijningsvormen.

Transformaties volgen elkaar steeds sneller op, bijgevolg een hoge dynamiek van en in het stedelijk weefsel. Uber, Airbnb, cloud computing: ze verstoren niet alleen de belegen markten, maar confronteren stedelingen met snelle verandering in hun fysieke leefomgeving. In The Economist van 24 oktober j.l. staat het veel eloquenter: “Across industries, disrupters are reinventing how the business works”. En, zo vervolgt het Engelse weekblad, het meest interessante aan de alternatieve economie is ‘the new breed of high potential startups’. In dezelfde steden waar Ford, Kraft, Heinz, Mercedes, Heineken en Sphinx hun imperia stichtten, bouwen vandaag duizenden jonge mensen nieuwe bedrijfjes in tijdelijke bedrijfsruimten, van brandstof voorzien door koffie en dromen.

Een groot aantal traditionele multinationals en corporates zullen blijven bestaan, zeker in de kapitaalintensieve olie- en gassector. Maar de nu al aanwezige tendens tot afslanken, zich richten op de corebusiness en externaliseren van risicovolle bedrijvigheid (met name in de creatieve en innovatieve sfeer), maakt de weg vrij voor veel kleinere, creatieve en sterk op innovatie gerichte bedrijvigheid.

Een niche? Niet meer lang! Velen zijn het met The Economist eens dat een aanzienlijk aantal startups zal falen, maar dat hun manier van productontwikkeling en financiering maatgevend zal worden voor het gros van de toekomstige bedrijvigheid. Ook de grote Nederlandse steden zullen zich geconfronteerd zien met een generatie (jonge participanten) op de arbeidsmarkt die voor haar eigen werk zal moeten zorgen en zich bedrijfsorganisatorisch zowel als ruimtelijk op eenzelfde wijze zal oriënteren als hun pioniers: de startups.

Wat doet dat met de stad? Een hoop. Tot de verbeelding spreekt het advies van The Economist: bezoek 85 Broad Street in downtown Manhattan, waar tot 2009 het hart van de Amerikaanse financiële sector, Goldman Sachs, klopte! WeWork, een bedrijf dat jonge bedrijven huisvest, is nu eigenaar van zes van de dertig verdiepingen, gevuld met 2000 startups (‘leden’ in de terminologie van WeWork). Mooier dan The Economist kan ik het niet opschrijven: The stream of limousines with blacked-out windows that surrounded the building during Goldman’s tenure has thinned, replaced by swarms of people in an array of startup-wear, from tartan shirts to hoodies.

WeWork heeft weliswaar 30.000 leden, ongeveer 8000 bedrijven op 56 locaties, maar in, let op,
slechts 17 steden. En Amsterdam is daar één van!! Een zoveelste bewijs dat Amsterdam geen groot dorp is, maar een mondiaal opererende metropool. Deze stad is op Londen na de beste stad voor start-ups in de EU. Dat staat in de Europese Digitale Steden Index, een initiatief van de Europese Unie. In de 2015 uitgave van ‘the Startup Genome Project’ belandde Amsterdam op de 19de plek achter Sydney, Toronto en Vancouver als ‘developing startup ecosystem’.

Met enkele collega’s heb ik de recente maanden door een ruimtelijke bril (statistische data, interviews en schouwen) naar Amsterdamse startups gekeken, en ben tot een aantal (voorlopige) bevindingen gekomen. Het overgrote deel van de Amsterdamse start-ups bevindt zich in het centrummilieu van de stad. Veel van de bedrijven die zich daarbuiten bevinden vestigen zich in transformatiegebieden als Amstel III bij de Amsterdam Arena, maar ook op bedrijventerreinen als Buiksloterham aan de noordkant van het IJ. Wat betreft de universiteitscampussen heeft alleen het Sciencepark een opvallende clustering van start-ups. De VU-campus en het AMC zijn echter opvallend lege plekken op de kaart. Dit beeld komt overeen met de situatie in Londen en New York.

Hoe komt dat? Deels door de aard van de startup. We onderscheiden drie typen startups: de stedelijken, de solitairen en de parochialen. De stedelijken zijn bij uitstek te vinden in het centrumstedelijke milieu en lessen hun (noodzakelijke) behoefte aan interactie en (zakelijke) voorzieningen aan de hen omringende stad. Solitairen zijn eigenlijk een set van startups (community in jargon) en internaliseren interactie en voorzieningen in een inpandig startup-ecosystem. Een prachtig voorbeeld hiervan is B-Amsterdam aan de Johan Huizingalaan in de Westelijke Tuinsteden, de naoorlogse stad die zich kenmerkt door functiescheiding.

De parochialen zijn wat afhankelijker, zoeken op hen gerichte voorzieningen op, willen voortdurend contact met soort- dan wel lotgenoten (parochie), maar zijn uiterst nieuwsgiering naar de stad direct om zich heen: gericht op urbi et orbi. Die afhankelijkheid is niet gerelateerd aan sulligheid, maar aan het feit dat het voornamelijk buitenlands talent betreft dat wel de roem van maar nog niet de weg in de stad heeft ontdekt. Zij zoeken (bekende) co-workspaces op (zoals het fameuze WeWork).

Stedelijken en solitairen zijn ook in de oude economie bekende bedrijfsvormen die hun heil zoeken binnen respectievelijk buiten de stad. De stedelijken nemen echter in aantal toe. Solitairen bewandelen een op zijn zachts gezegd opmerkelijke weg in een periode dat zelfs de traditionele bedrijvigheid zich kenmerkt door afslanking. De parochialen vormen echter een nieuw fenomeen.

Het zijn vooralsnog voorlopige bevindingen, maar deze driedeling betekent ook iets voor het ruimtelijk beleid. De ‘afhankelijke’ parochialen zijn gebaat bij georganiseerde co-working spaces in of direct grenzend aan de centrale delen van de stad. Dat betekent dat transformatie van oude kantoor- of industriepanden in dit gebied herbestemming betekent voor startup gerelateerde bedrijvigheid. Bovendien: bezint eer ge sloopt! “New ideas need old buildings”, zei Jane Jacobs al in 1961.

Wat betreft de solitairen: die gedijen blijkbaar in steeds meer verlaten traditionele bedrijventerreinen ver van de centrale stad. Laat hen hier experimenteren. Goedkope ruimte in overvloed.

Aan stedelijken hoef je geen bijzonder aandacht te schenken, anders dan wat ook voor de twee andere typen geldt: behoud en versterk waar nodig de functiemix, en bouw woningen in het middeldure huursegment. Worden werkplekken door de markt georganiseerd, huisvesting van (internationale) talenten en expats niet! De (internationale) kenniswerker heeft een normaal inkomen en besteedt te veel aan wonen. Te groot voor een sociale huurwoning, te klein voor (huidige voorraad) vrije markthuur. Die woningvraag zit niet per se in het centrum, maar wel in het centrumstedelijk milieu.

Deze kenniswerker vormen de nieuwe arbeidersklasse. Moeten we naar een volkshuisvesting 2.0 die voor deze groepen betaalbare huurwoningen in het middensegment bouwt? Mijns inziens wel! Het Financieele Dagblad van 27 oktober kopt niet voor niks: ‘Tekort betaalbare huurwoningen bedreigt economie grote steden’!!

Jos Gadet
Hoofdplanoloog Ruimte en Economie, gemeente Amsterdam

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *