Vraag ‘Voldoende, goed land?’ is na veertig jaar weer actueel
Stikstofcrisis vergt extensivering van de Nederlandse landbouw

| 29 januari 2020

Een vos in het duingebied bij Wassenaar, waar de vergrassing zichtbaar is.

Auteur: Marcel Bayer

Terwijl het kabinet de eerste noodmaatregelen neemt om de stilgelegde projecten in de bouw weer vlot te trekken, zal de landbouw het antwoord moeten geven op de vraag hoe de stikstofcrisis voor de lange termijn te bezweren.  De grondgebonden landbouw beslaat 60 procent van ons grondgebied. De veehouderijsector heeft met 46 procent van de stikstofuitstoot verreweg het grootste aandeel in de stikstofcrisis. Deze is terug te voeren tot jarenlange overbemesting van de landbouwgronden. Hoe kunnen we de bodemkwaliteit van dit land herstellen, niet in het minst ten behoeve van de Natura 2000-gebieden? Hoogleraar cultuurtechniek Folkert Hellinga constateerde in 1981 al welke desastreuze gevolgen het landbouwbeleid voor de natuur had. Zijn vraag is weer actueel: Hoeveel land is er anno 2020 nodig en beschikbaar voor de grondgebonden landbouw en veeteelt?

Dit is een sterk ingekorte versie van het artikel in ROm 1-2, februari 2020. ROm is gratis voor ambtenaren in de fysieke leefomgeving. Word nu abonnee.

Nooit meer honger!’ was de slogan na de Tweede Wereldoorlog. Het Europees landbouwbeleid van Sicco Mansholt moest door schaalvergroting en modernisering de agrarische productiviteit per hectare fors verhogen. Tegelijkertijd stimuleerde Folkert Hellinga (1917-2009) als eerste hoogleraar cultuurtechniek aan de Wageningse Landbouwhogeschool de verbetering van de agrarische productieomstandigheden ofwel, de zorg voor ‘voldoende, goed land’. Op grote schaal werden ruilverkavelingen uitgevoerd.

Van de 410.000 agrarische bedrijven in 1950 zijn er anno 2018 nog 54.000 over. Maar samen zorgen zij ervoor dat Nederland na de Verenigde Staten de grootste landbouwexporteur ter wereld is!

Voldoende, goed land
Te mooi om waar te zijn? Helaas, ja. De stikstofuitstoot in de agrarische sector toont aan dat het evenwicht tussen de intensieve agrarische productie en de draagkracht van de landbouwbodems ernstig is verstoord. De grondgebonden landbouw staat in meerdere regio’s op gespannen voet met het behoud van de biodiversiteit in ons land.
De grondgebonden landbouw gebruikt ruim zestig procent van de oppervlakte van ons land. Bos en natuur beslaan circa veertien procent, binnenwateren elf procent en stedelijke gebieden zo’n twaalf procent.

Maar hoe vanzelfsprekend zijn deze percentages eigenlijk in een veranderende samenleving? Professor Hellinga stelde deze vraag tijdens zijn afscheidsrede in 1981, terugkijkend op veertig jaar landbouw en landinrichting. Wat en hoeveel isvoldoende, goed land’?[1] Zijn overwegingen zijn nog altijd verhelderend.

Voetafdruk
In de periode 1945-1980 verviervoudigde het aantal woningen in ons land. Het Groene Hart werd overspoeld. Ook in zeer goede landbouwgebieden zoals de Haarlemmermeerpolder kwamen woningen. Het verlies aan landbouwgrond bedroeg gemiddeld een half procent per jaar. Omstreeks 1980 werd, in neerwaartse richting, de grens van twee miljoen hectaregepasseerd. Met de Europese melkplassen, boterbergen, graan- en vleesoverschotten in de jaren zeventig nam de weerstand toe tegen het inpolderen van het Markermeer. Uiteindelijk verviel in 2003  de ruimtelijke reservering voor een Markerwaard.

Hellinga stelde overigens vast dat de Nederlandse boeren, gegeven wat zij aan veevoedergrondstoffen importeren, in het buitenland nog eenzelfde oppervlakte cultuurgrond benutten (twee miljoen hectare).

‘DE NEDERLANDSE BOEREN GEBRUIKEN VOOR DE IMPORT VAN VEEVOEDERS IN HET BUITENLAND DEZELFDE OPPERVLAKTE GROND ALS IN EIGEN LAND’ (Professor Folkert Hellinga, 1981)

Grenzen
Zonder goede landinrichting zou de productie-explosie van de landbouw niet mogelijk zijn geweest. In de hoogtijdagen besloeg het nationale ruilverkavelingsprogramma 40.000 hectare per jaar. Vanaf de jaren zeventig nam het verzet ertegen toe vanwege schadelijke neveneffecten:

  • verkaveling en boerderijverplaatsing => verlies van karakteristieke landschappen;
  • profielverbetering en egalisatie => verlies aan biologische en fysieke kwaliteit van de bodems;
  • ‘normalisatie’ van beeklopen=> versnelde waterafvoer maakte in droge perioden aanvoer van gebiedsvreemd water nodig;
  • diepe grondwaterpeilen in de veenweidegebieden => versnelde oxidatie van het veen (CO2-uitstoot) en bodemdaling;
  • ontwatering in de grote polders met veen in de ondergrond => bodemdaling en zilte kwel.

Professor Hellinga heeft in zijn afscheidsrede in 1981 een antwoord willen geven op de vraag, waarom nog altijd ruim zestig procent van het Nederlands grondgebied voor de landbouw werd gebruikt. Hij toetste daarvoor het nut van de landbouw aan vier doelstellingen: produceren van voedsel, verschaffen van werkgelegenheid, bijdragen aan het nationaal inkomen, bijdragen aan het beheer van de groene ruimte.

Zijn conclusie was dat veel, goed ingericht landbouwland is te legitimeren vanuit de eerste drie doelstellingen. De vierde doelstelling pleitte echter – ook al in 1981 – voor het tegendeel.

DE INTENSIVERING IN DE LANDBOUW LEIDT TOT EEN ERNSTIGE AANTASTING VAN NATUUR EN LANDSCHAP’ (Professor Folkert Hellinga, 1981)

De intensivering in de landbouw leidt tot een ernstige aantasting van natuur en landschap, aldus Hellinga. Hij noemde als voorbeeld het kwaliteitsverlies van het grondwater in het zandgrondenmassief in Noord-Brabant waar de mestproductie van de zich voortdurend uitbreidende intensieve veehouderij ‘de spuigaten uitloopt… Het ideaal van een landbouwkundig grondgebruik dat geïntegreerd is met behoud van natuurwaarden wijkt steeds verder’.

Voor het beheer van de groene ruimte bepleitte hij enige afname van de oppervlakte landbouwland en van de intensiteit van de cultuurtechnische inrichting ervan.

Pas
Waar het Rijk in de vorige eeuw woeste gronden ontgon en de IJsselmeerpolders drooglegde, ontmantelde het in 2015 de Dienst Landelijke Gebieden. Daarmee kwam een einde aan een tachtigjarige cultuurtechnische traditie. Het beleid voor de natuur en de ruimtelijke ordening werd gedecentraliseerd naar de provincies.

Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is sinds 2015 vooral een instrument geweest om de dreigende gevolgen van de stikstofdeposities voor het verlenen van bouwvergunningen te omzeilen. De noodzaak om de biodiversiteit in ons land te beschermen, werd met woorden beleden, maar niet serieus genomen. In kabinet-Rutte I (2010-2012) bezuinigde staatssecretaris Henk Bleker zo’n zestig procent op het rijksnatuurbeleid, en stopten de subsidies voor het voltooien van de Ecologische Hoofdstructuur, die bovendien werd ‘herijkt’: de beoogde oppervlakte van 700.000 hectare ging terug naar 600.000 hectare.
Onder Bleker en zijn opvolger Sharon Dijksma (kabinet-Rutte II) werd met de LTO afgesproken dat de landbouw in 2030 10 kiloton stikstof minder zou produceren; in ruil kreeg de sector toestemming om 5,6 kiloton extra uit te stoten. De winst op papier was 4,4 kiloton bespaarde uitstoot. De natuurorganisaties werd nadrukkelijk gevraagd om positief te reageren op het PAS.

Terugkijkend in 2019 acht Henk Bleker het PAS een succes. Immers, naast het mogelijk maken van infrastructuurprojecten met een investeringswaarde van negen miljard euro, zijn in de veehouderij ruim vierhonderd grote stallen gerealiseerd dankzij het PAS, en om die investeringen was het te doen, aldus Bleker.

‘DE KWALITEIT VAN DE BODEMS IN NEDERLAND MOET WORDEN HERSTELD’

Uiteindelijk drong het besef door dat kwaliteit van de bodems in Nederland moet worden hersteld. Carola Schouten, de huidige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), kondigt bij het aantreden van kabinet-Rutte III in oktober 2017 een Visie op Kringlooplandbouw en een Bodemkwaliteitsstrategie aan. De stikstofcrisis barst los in mei 2019. Mark Rutte constateert, dat we wat betreft de stikstofproblematiek ‘op de pof hebben geleefd’.