Traditie

| 2 juni 2017

In een interview met landschapsarchitect Adriaan Geuze voor vakblad ROm sprak ik recent uitgebreid over de crisis in de ruimtelijke planning, die de vakwereld en veel bestuurders ervaren. Crisis in die zin, dat er nauwelijks sprake is van enige coherente lijn van denken, laat staan van vaste concepten, bij de inrichting van de fysieke ruimte in ons land. Dankzij het liberale beleid in vooral het nieuwe millennium, is de ruimtelijke ordening op nationaal niveau nagenoeg ontmanteld. Met de Startnota Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ligt er een kans om te komen tot nieuw samenhangend beleid. Geuze benadrukt dat het uitgangspunt daarbij verkeerd is gekozen. En ik denk dat hij een punt heeft.

Bij alles wat we horen over de nieuwe Omgevingswet staat voorop dat het eenvoudiger en beter moet. We moeten af van de duizenden, vaak op elkaar gestapelde regels en tientallen wetten die gelden voor de fysieke leefomgeving. Allemaal bedacht vanuit legitieme overwegingen, niet in de laatste plaats om onze gezondheid en die van de natuur te beschermen, en onze veiligheid te garanderen. Zeker, maar het geheel is nagenoeg onwerkbaar geworden. De procedures moeten doorzichtiger, eenvoudiger en vooral sneller. Maar als we de vereenvoudiging tot hoofddoel van de hele exercitie maken, waar de achtereenvolgende kabinetten Balkenende en Rutte nadrukkelijk mee bezig zijn geweest, vergeten we waar het echt over zou moeten gaan.

Adriaan Geuze neemt ons in het interview in ROm mee naar de traditie van de grote Nederlandse ruimtemakers; die met een systematische en samenhangende aanpak de infrastructuur, waterstaatkundige werken en steden hebben gebouwd waar we nog altijd van profiteren en trots op mogen zijn. Behalve systematisch deden ze dat waarachtig integraal, gebruikmakend van alle kennis en ervaring in de samenleving die beschikbaar was, en als deze er nog niet was, werd die opgebouwd in nauwe samenwerking tussen bedrijfsleven en onderwijs. De economische ambities en de sociaaldemocratische visie op de stad waren leidraad voor het schetsen, uitproberen en doorpakken. De uitvoering vond decentraal plaats, meestal door speciaal daarvoor opgezette diensten, maar krachtig aangestuurd door de Rijksoverheid.
Een wereld van verschil met het efficiency-denken van vandaag de dag, waarbij de overheid zich heeft teruggetrokken, de kennisopbouw in dienst van de samenleving is losgelaten en de uitvoering meestal wordt overgelaten aan de markt, op basis van tenders, waarbij een lage prijs en risicobeperking allesbepalend zijn.

Geuze zegt: ‘De ruimtelijke ordening is een industrie geworden gedomineerd door managers en juristen, die de regels en procedures bewaken. We hebben er een mega-ingewikkeld proces van gemaakt, beheerst door een complex maatschappelijk middenveld van belangengroepen die zichzelf in die positie hebben gelobbyd.’

Het beeld dat hij schetst is herkenbaar. De talrijke bijeenkomsten in het land waar informatie wordt uitgedragen over de komende Omgevingswet bevestigen dat beeld. Nog altijd kijken we naar de fysieke leefomgeving vanuit sectoren en belangen. Planologen zijn zich nauwelijks bewust van het feit dat de ‘zeggenschap’ over de inrichting van ruimte hen uit de vingers glipt. En dat terwijl zij juist een belangrijke rol kunnen en ook zouden moeten vervullen bij het verbinden van alle aspecten die bij die inrichting een rol spelen. Net als architecten.

Heel voorzichtig en langzaam dringt het besef door dat er een complete stelselwijziging voor de deur staat. Alles wordt anders, voor iedereen die betrokken is bij de fysieke leefomgeving. Dat is zeker bedreigend, maar ook een enorme kans. Adriaan Geuze wijst op de lange traditie van plannen vanuit een zekere pragmatiek. In de negentiende eeuw begonnen we nieuwe technieken te gebruiken om vorm te geven aan ons land, vanwege de veiligheid en om gebruik te maken van de economisch kansen die er lagen. In de vorige eeuw lieten grote bouwmeesters als Lely en Berlage zien hoe planning tegelijkertijd een culturele daad kon zijn, met legendarische weg- en waterbouwwerken, vernieuwende bouwtechnieken en schitterende architectuur.

In de ogen van Geuze kwam die traditie, die we van generatie op generatie hebben ontwikkeld en door ingenieurs is vervolmaakt tot een cross-sectoraal planningssysteem waar de hele wereld met bewondering naar kijkt, kwam ten einde in de jaren zestig. Ruimtelijke ordening werd een vak, er kwam qua ruimtelijke planning een taboe te liggen op verandering, we gingen de toekomst definiëren door middel van beleid en juridificering.

Terecht dat we dit vastgelopen systeem nu proberen open te breken, vindt ook landschapsarchitect Geuze, maar blijf niet hangen in de juridische en bestuurlijke overwegingen. Pak de kans die de stelselwijziging biedt om elkaar weer op te zoeken vanuit een gedeeld gevoel van urgentie. Laat je inspireren door de voorbeelden uit het nog niet zo verre verleden. Ik vind het een wenkend perspectief.

 

Marcel Bayer

Hoofdredacteur ROm