Verschuivende panelen

| 3 december 2014

De stad staat weer op de beleidsagenda, ook op die van de rijksoverheid. Initiatiefnemers vanuit drie ministeries willen economische vitaliteit, kwaliteit van de leefomgeving en actief burgerschap in steden aan elkaar koppelen en er vervolgens een Europese dimensie aan geven. Dat is hard nodig, want wereldwijd zijn het niet alleen meer specialisatie, schaalvergroting en efficiëntie die het verschil maken. Tegenwoordig gaat het in Europese steden om diversiteit, differentiatie, evenwicht en effectiviteit.

De Emmasingel en Lichttoren in Eindhoven Smart City, waar het wonen nog steeds het werken volgt. Dergelijke steden hebben behoefte aan ruimtelijke investeringen in hoogwaardig woonaanbod. Zonder dat lopen deze steden welvaartsverlies op. Beeld Nick Bookelaar

De Emmasingel en Lichttoren in Eindhoven Smart City, waar het wonen nog steeds het werken volgt. Dergelijke steden hebben behoefte aan ruimtelijke investeringen in hoogwaardig woonaanbod. Zonder dat lopen deze steden welvaartsverlies op. Beeld Nick Bookelaar


Agglomeratievoordelen bepalen de economische vitaliteit van steden. Door de verschuivingen in de economie is de aard van deze stedelijke voordelen veranderd. Tegenwoordig bieden steden goede contacten, vroeger veel van hetzelfde. Niet zozeer specialisatie, maar vooral diversiteit aan toeleveranciers, arbeidskrachten en diensten zorgt in de huidige stad voor lagere operationele en transportkosten. De stedelijke economie van nu is vooral een creatieve kenniseconomie en die is gebaat met lage zoek-, contact- en contractkosten, want deze transactiekosten maken een belangrijk deel uit van de totale productiekosten.

Economische vitaliteit
Dienstverlening is mensenwerk. Het gaat de dienstverlener niet alleen om de prijs maar ook om de kwaliteit van arbeid. Vandaar dat de aanwezigheid in steden van creatieve mensen en kenniswerkers voor hen aantrekkelijk is. De stad profiteert daar ook van, want in steden wordt meer verdiend dan daarbuiten. Dat komt omdat in steden zich veel hoogproductieve banen bevinden. Dat zie je ook in de regionale loonverschillen in Nederland. Deze verschillen worden voor meer dan de helft verklaard door en persoonskenmerken (vooral opleiding, leeftijd, werktijd), maar voor de andere helft door de dichtheid en de aard van de economische activiteiten in steden (de Groot et al., 2013).
Door de verschuivingen in de aard van de stedelijke voordelen is de relatie tussen de omvang van steden en die voordelen minder sterk geworden. Steden behoeven niet de grootste te zijn om de meeste voordelen te hebben. Wereldwijd blijkt dat middelgrote steden qua productiviteit vaak het beste scoren (OECD, 2006). Recent onderzoek laat zien dat Nederlandse steden op dat punt overigens slechter scoren dan steden van vergelijkbare omvang in Europa (OECD, 2014). Bovendien neemt de productiviteit buiten de Randstad meer toe dan daarbuiten.

Middelgrote steden scoren qua productiviteit beter

Niet de omvang en de dichtheid van de bevolking of de productie maar de kwaliteit van de leefomgeving en de connectiviteit van steden maken tegenwoordig het verschil. Daarom gaat het niet alleen om wat steden in huis hebben, maar ook om hoe gemakkelijk mensen vanuit andere delen van de wereld toegang hebben tot de stad. Connectiviteit bepaalt de concurrentiekracht en de economische vitaliteit van steden (McCann, 2013). Steden vormen per definitie netwerken. Steden in landen met een historisch poly-centrische stedelijke structuur zijn in dit opzicht in het voordeel.

Rotterdam vernieuwt want de aanwezigheid in steden van creatieve mensen en kenniswerkers is voor ondernemingen aantrekkelijk. Beeld Gemeente Rotterdam

Rotterdam vernieuwt want de aanwezigheid in steden van creatieve
mensen en kenniswerkers is voor ondernemingen aantrekkelijk.
Beeld Gemeente Rotterdam

De economische vitaliteit van steden wordt vooral gevoed door activiteiten die een versnelde groei doormaken. Zo maar activiteiten in steden bij elkaar zetten levert betrekkelijk weinig extra groei op. Steden moeten het hebben van emergente activiteiten die aan het begin van marktgroei staan, van elkaar profiteren en elkaar opstuwen. De non-lineaire groei die deze activiteiten veroorzaken, vormt de hoeksteen van de vitale economie. Groei alleen is daarbij niet alles zalig makend; het gaat ook om responsiviteit (WRR, 2013).

Kwaliteit van leefomgeving
Steden hebben te maken met een verschuiving van productie naar consumptie. De aantrekkingskracht voor mensen is verschoven van het feit dat men in steden meer kan verdienen naar dat men goedkoper gebruik kan maken van publieke voorzieningen. De woonkwaliteit van steden is daarmee van steeds meer strategische betekenis, boven dat van het werkklimaat. Dit geldt in het bijzonder voor de creatieve klasse. Ook in Nederland blijkt dit op te gaan, al staat bereikbaarheid van werk nog steeds op de eerste plaats bij de woonvoorkeuren (Marlet, G. ). Waar steden voor bedrijven belangrijk zijn vanwege hun connectiviteit naar markten geldt dat voor de bevolking vanwege de bereikbaarheid en keuzemogelijkheden van banen en voorzieningen. Het is opmerkelijk dat de bereidheid om een bepaalde afstand af te leggen voor het gebruik van culturele en commerciële voorzieningen tegenwoordig korter is dan voor het werk (de Groot et al. 2013). Ook de reisbereidheid voor het bezoeken van natuur is groter dan die voor voorzieningen in de stad. Vanuit de optiek van ruimtegebruik ontstaat er steeds meer zelfvoorziening in de Nederlandse steden.
Dit zou gemakkelijk tot de conclusie kunnen leiden dat ‘werken’ het ‘wonen’ volgt. Dat is zeker niet voor alle steden het geval (van Oort , 2013).

Woonkwaliteit van steeds meer strategische betekenis

Gedifferentieerd beeld
Steden die een gunstige bereikbaarheid van banen kennen en een instelling voor hoger onderwijs in huis hebben, zoals Leiden, Utrecht en Nijmegen, voldoen aan dit beeld. Groningen en Maastricht echter minder, want zij kampen met een geringere bereikbaarheid van banen, vooral van kennisintensieve banen. In dit soort steden is de goed opgeleide, creatieve bevolking vaak de motor van de stedelijke economie. Ruimtelijke investeringen vinden plaats in voldoende hoogwaardige (koop) woonruimte, aantrekkelijke voorzieningen specifieke werkruimte zoals science parks. Interactiemilieus zijn van groot strategisch belang (de Hoog, 2012).

Connectiviteit bepaalt de concurrentiekracht en de economische vitaliteit van steden. Stationsgebied Utrecht. Beeld Gemeente Utrecht

Connectiviteit bepaalt de concurrentiekracht en de economische vitaliteit van steden. Stationsgebied Utrecht. Beeld Gemeente Utrecht

In andere steden volgt het wonen nog steeds het werken. Dit zijn steden, zoals Eindhoven en Den Haag die alleen al door de omvang van een moderne industrie of diensten goede carrièremogelijkheden bieden. Deze steden hebben behoefte aan ruimtelijke investeringen in hoogwaardig woonaanbod. Zonder dat lopen deze steden welvaartsverlies op.

Het aloude ‘werken volgt werken’ gaat ook nog steeds op, zeker in steden met een sterke internationale concurrentiepositie, zoals de Rotterdamse haven en de Amsterdamse Zuidas, of in ‘voedingsstad’ Wageningen. Zulke steden moeten het hebben van clustering van en cross-overs tussen bedrijven in verwante sectoren. Dit moet vliegwieleffecten opleveren. Ruimtelijke investeringen in deze steden zijn eveneens gericht op interactiemilieus.

Overheid leunt sterk op actieve burger

Tenslotte vindt ‘wonen volgt wonen’ plaats, onder meer in voormalige groeikernen. In deze ‘nieuwe’ steden sluit het aanbod van woningen en woonomgeving steeds minder aan op de vraag van de voor de stedelijke economie belangrijke groepen in de beroepsbevolking. Bovendien is de reisafstand naar de stedelijke centra van werkgelegenheid voor hen te lang.

Transitie van steden
Steden staan voor de opgave om een werkelijk duurzame economie te bewerkstelligen. Dat betekent een economie waarin korte termijn doelstellingen (winstmaximalisatie, kostenminimalisatie) worden ingeruild voor de lange termijn doelstellingen. Naast het in steden op elkaar betrekken van economie, samenleving en ecologie (de welkende triple P) zal het aloude stedelijk economische principe van versnelde groei moeten worden toegepast op het vinden van duurzame oplossingen. Dit is de kern van de transitieopgave.

Het zou mooi zijn als de Agenda Stad een aanzet geeft tot een transitie waarbij de stedelijke economie niet meer gebaseerd is op specialisatie, schaalvergroting en efficiëntie maar op diversiteit, differentiatie, evenwicht en effectiviteit. Aanpassing en innovatie zijn in zo’n economie minstens zo belangrijk als productiviteitsverhoging. De ecologische ‘footprint’ van steden wordt daardoor kleiner en het welzijn voor alle stedelingen groter. Europese steden hebben op dit punt een voorbeeldfunctie die kan leiden tot versterking van de mondiale concurrentiepositie van Europa.

Oedzge Atzema
hoogleraar economische geografie in Utrecht

Lees volledige artikel in de special Agenda Stad bij ROmagazine 11, november 2014

Neem een abonnement op ROm
of bestel het nummmer (t.w.v. € 24,00) via info@romagazine.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *