Voorstel van een ministersbrief aan de (in)formateur(s)

| 25 maart 2021

Advies aan demissionair minister K. Ollongren. Laat de tekst van deze brief door uw secretaresse overnemen op blauw ‘amicebriefpapier’ en verzend die dan naar de (in)formateur. We weten dat u het extra druk heeft en COVID-19 speelt u nu ook al parten. Vandaar deze hulp, schrijft Jos Feijtel.

Jos Feijtel

Geachte (in)formateur(s),

Veel betrokkenen hebben al laten weten dat ze vinden dat er een Minister van Ruimte en Wonen of Minister van de Bouw of Minister van Wonen moet komen. Ik heb de afgelopen jaren de portefeuille ruimte en wonen ‘erbij’ gedaan. Ik kan u in alle eerlijkheid zeggen: dat is eigenlijk niet goed te doen. Ik combineerde deze taak met diverse andere portefeuilles, waaronder die van binnenlandse zaken en ook een deel van de veiligheidszaken (AIVD e.d.). Al die aandachtsgebieden eisen veel tijd en energie. Denk even aan de enorme discussie die gaande is over de herverdeling van het Gemeentefonds. Dat debat kan alleen goed op z’n pootjes landen als een bewindspersoon daaraan veel persoonlijke aandacht en leiding kan geven. Dat gaat nu niet.

Tegen die achtergrond ben ik voorstander van een aparte bewindspersoon voor Wonen en Ruimte of  hoe precies de benaming ook zal zijn. Voor die minister ligt er een mega-uitdaging: echt bijdragen aan de verkleining van de woningnood en echt helpen alle ruimtefuncties goed te verdelen over het land. Over dat laatste: vrijwel iedereen die hierbij betrokken is, vindt wel dat een minister redelijk stellig leiding moet geven aan de discussie hoe al die ruimtevragen moeten worden afgewogen: ruimte voor nieuwe woonwijken, ruimte voor energietransitie (waar komen de windmolens, waar de zonnepanelen parken), ruimte voor het water en dat allemaal in samenhang met de vooruitzichten over bodemdaling en bodemkwaliteit.

‘Het is een schande dat we er nu, voor wat betreft de woningnood, eigenlijk slechter voor staan dan direct na de Tweede Wereldoorlog’

Ik maak er geen geheim van dat naar mijn mening in die prioriteitenafweging ruimte voor nieuwe woningen bij mij een streepje voor heeft. Het is een schande dat we er nu, voor wat betreft de woningnood, eigenlijk slechter voor staan dan direct na de Tweede Wereldoorlog. Anders dan toen, maar in aantallen een grote achterstand. Met relatief minder armoede, natuurlijk: maar toch. En het is nog niet voorbij. Volgens diverse hoogleraren wordt het huidige tekort van ca. 330.000 woningen de komende jaren nog groter. Dat zou niet mogen gebeuren. Vandaar mijn ‘streepje’, zeg maar -streep- voor bij de ruimteverdeling voor Wonen.

Over het pakket aan maatregelen dat nodig is om de woningnood echt te bestrijden zijn al veel adviezen uitgebracht. Het is hoopvol dat er een grote alliantie van partijen – ontwikkelaars, beleggers, VNG, IPO, Aedes, Woonbond en vele anderen – elkaar heeft gevonden op een aantal hoofdlijnen: de Actieagenda. Vooral zorgen dat die partijen er ook echt mee aan de slag gaan. Maar pas op: in algemene formuleringen vindt men elkaar. De praktijk is vele malen weerbarstiger. Sommige provincies stimuleren gemeenten en ontwikkelaars nadrukkelijk om prioriteit te geven aan de woningbouw. Maar er zijn helaas ook provincies die nog steeds bezig lijken te zijn vanuit het beeld: oppassen dat we niet te veel woningen bouwen.

Behalve in een heel beperkt aantal grensgebieden is er over de volle breedte in ons land een gigantisch woningtekort, ook de komende decennia. Nu op de rem trappen is dus volslagen idioot. Een Minister van Ruimte en Wonen moet op dit soort zaken, snel, binnen een paar maanden kunnen doorpakken. Weg met die rempedalen: gas geven!

‘Nu als provincies op de rem trappen, is volslagen idioot’

Over de bevoegdheden van een Minister voor Wonen en Ruimte zal nog het nodige gesteggeld moeten worden. Moet energietransitie erbij vanwege het ruimtebeslag van de ruimte voor zonnepaneel-parken en windmolenparken? Daaraan zitten voor- en nadelen. De relatie met wonen is evident. Maar dat geldt voor veel meer terreinen. Veel departementen hebben beleidsvelden die woningbouw kunnen beïnvloeden. Wat te denken van LNV met de stikstof of de Pfas? Wat te denken van de departementen die met de eisen op milieu- en energieterrein aan de woningen bezig zijn? Wat te denken van het Ministerie van Financiën met z’n invloed op de verhuurdersheffing en de huurtoeslag. Het is ondoenlijk om al die zaken naar een Ministerie van Wonen en Ruimte te verplaatsen. Politiek én praktisch onhaalbaar. Maar er is wel een andere mogelijkheid om de stem van de minister van Wonen op dat soort zaken invloedrijker te maken.

De afgelopen vier jaar heb ik dat gemerkt als Minister van Binnenlandse Zaken: de Financiële Verhoudingswet, die de financiële kwesties tussen enerzijds rijk en anderzijds provincies en gemeenten regelt, kent een bepaling dat een andere minister alleen voorstellen mag doen die de financiële positie van gemeenten of provincies raken, als deze zijn overlegd met de Minister van Binnenlandse Zaken (zie artikel 2 van de FVW). Houden de departementen zich daar altijd aan?

Nee, maar dan heeft de minister van BZK en analoog dus de minister van Wonen, het recht om in de Ministerraad fors op de rem te gaan staan en alsnog te eisen dat eerst wordt afgewogen of dat departementale voorstel geen ongewenste vertraging op de woningbouw heeft. Geen garantie maar toch een goede poging om extra, onnodige stapeling van eisen aan de woningbouw te voorkomen.

‘De komende vijf jaar geen extra eisen boven op het Bouwbesluit’

En graag ook aandacht hiervoor: (te) veel gemeenten hebben de neiging om goedbedoelde extra eisen te stellen aan woningbouwplannen. Dat maakt die plannen duurder, dus minder betaalbaar en het zorgt voor eindeloze vertraging. Er geldt nu nog een verbod op hogere eisen dan die welke in het Bouwbesluit zijn geformuleerd. Maar dat wordt iets anders bij invoering van de Omgevingswet. Ik beveel van harte aan om voor een periode van bijvoorbeeld vijf jaar vanuit de rijksoverheid te verordonneren dat geen extra eisen boven het Bouwbesluit kunnen worden gesteld en dat paal en perk wordt gesteld aan de stapeling van eisen.

Tot slot: er is echt structureel extra geld nodig. In de Actieagenda noemen de partijen vijf miljard per jaar. Dat is misschien iets aan de hoge kant. Maar eerder is berekend dat veel van dat geld terugvloeit in de staatskas, als er echt sprake is van additionele bouw; via de btw, via de loon-en inkomstenbelasting, via minder uitkeringen etc. Sommige rekenaars komen uit op 60 tot 80 procent van de rijksbijdragen. Ik heb eerder de Minister van Financiën hiervan niet kunnen overtuigen. Het zou helpen als in een regeerakkoord hiervoor een betrouwbare rekensom op tafel komt. Want extra geld voor woningbouw en bijbehorende infrastructuur is echt nodig.

Ik hoop dat u met deze amice brief uw voordeel kunt doen, in het belang van een inhaalactie in de woningbouw.

Kajsa Ollongren